Ontkenning

Angel

Klik op de foto voor een
vermelding van de copyrights

Taal:Taal
Views:6846
Ingevoerd:
Geplaatst door:
Bron:Earth Matters

Gekoppelde categorieen
Bewustzijn, Vrouwen, Afscheid nemen

Wie is mijn moeder? 

Eigenlijk weet ik sinds mijn negende dat Olivia en Derk niet mijn echte ouders zijn. Ze hebben het nooit verzwegen , maar ze vertelden me steeds een stukje van het verhaal. Eerst zeiden ze dat mijn moeder niet voor mij kon zorgen, daarna dat ik in het ziekenhuis had gelegen, vervolgens dat ze me opgevangen hadden en ten slotte dat de adoptie rond was en dat ik toen, officieel hun dochter was. En daar nam ik genoegen mee.  

Op mijn negende verjaardag liet ik mijn vriendinnetjes uit na mijn feestje. Alle ouders stonden buiten te wachten en namen hun kinderen mee. Gek hè, en toen bedacht ik ineens: ‘waar zouden die van mij zijn?’

Op het moment dat alles was opgeruimd en we doodmoe op de bank  zaten vroeg ik plompverloren waar mijn ouders zouden kunnen zijn. De ogen van Olivia werden zo groot als schoteltjes: ‘ Lieverd’, zei ze ‘hoe kom je daar ineens bij?’ Ik schokschouderde. Ze kwam naast me zitten en sloeg een arm om me heen.’Het is een verdrietig verhaal Sunny. Wil je dat nu echt horen na zo geweldig feest?’

Ik zei ‘Ja!’ en toen vertelde mijn moeder dat ik bij de afvalcontainer van de oude kranten ben gevonden. In een doos.

Ik heb hartverscheurend gehuild en daarna hebben we het er niet veel meer over gehad. Ik aanvaardde het leven zoals het was en is en mijn conclusie is dat ik heel gelukkig ben. Ik genoot op school, heb een lieve broer die uiteindelijk toch nog geboren is ondanks het feit dat mijn ouders gezegd werd dat ze geen kinderen konden krijgen. Ik ging de verpleging in en werk als ziekenverzorgster in een verpleeghuis. Ik ben getrouwd met Daan en heb twee heerlijke dochters van 4 en 6 jaar. Wat wil een mens nog meer. Nou eigenlijk niets dus.

Elke maandagavond kijk ik naar Spoorloos op de televisie en elke maandagavond lopen de tranen over mijn wangen. Het is zo ontroerend dat ze elkaar dan vinden en in de armen sluiten. Ik heb elke maandag een doos tissues nodig. Maar ik heb daarbij eigenlijk nooit gedacht aan mijn eigen verhaal. Tot vorige week. Een jonge vrouw was op zoek naar haar moeder in Argentinië. Opeens hoorde ik haar zeggen dat ze was gevonden in een doos. Bij de vuilcontainer. Ik zat plotseling rechttop, verstard. Het was alsof er een dolk recht in mijn hart kwam en ik hapte naar adem. Ik begon vreselijk te trillen.

Ik begon  vreselijk te huilen en zo vond Daan mij toen hij thuis kwam na zijn vergadering. Hij schrok van mijn uitdrukking en probeerde mij weer in het hier en nu te krijgen. Uiteindelijk begreep hij wat ik had gehoord en gezien en deed hij zijn armen om me heen met de woorden: ‘ Lieverd, wordt het niet eens tijd om iets uit te gaan zoeken?’

Dat was het moment dat ik me open ben gaan stellen voor het verleden. Maar het punt is dat ik bijna geen aanwijzingen heb; geen naam van mijn moeder bijvoorbeeld, wel de plaats Rotterdam en een straat. 

We zijn als familie om de tafel gaan zitten. Mijn vader kwam toen met het idee om het politierapport op te vragen. Misschien staan er in dat rapport nog bijzonderheden.

We zijn in ons familiegesprek voor de eerste keer precies gaan bespreken hoe of het was gegaan. ‘Lieverd, zei mijn moeder, wat we je niet verteld hebben is dat we je zelf gevonden hebben. Dat was zo heftig ook voor ons dat we dat detail maar hebben overgeslagen’. 

Papa en ik hadden een paar dagen bij Oom Jaap en Tante Trude gelogeerd. Zij woonden toen aan de Lohmanlaan in Rotterdam. Een wijk met veel flatgebouwen. Op de ochtend van vertrek vroeg Oom Jaap of ze misschien wat dozen met kranten in de container konden gooien, want hij mocht na zijn hernia operatie geen zware dingen tillen. Mijn ouders droegen beiden een grote doos. Bij de container aangekomen deed mijn vader het deksel omhoog. Op dat moment hoorden we een klaaglijk geluid alsof er een poes in de container zat. Mijn moeder houdt helemaal niet van katten, dus zij deinsde achteruit. Papa keek zoekend rond en zag in een hoek een doos staan. De doos bewoog. ‘ Vast een jonge kat die iemand heeft weggedaan’ riep papa en pakte de doos vast. Op het moment dat hij de doos opende begon je heel hard te huilen. Hij liet de doos bijna vallen. Lijkbleek riep hij mij, want ik was  verderop  gaan staan. ‘Olivia!’, schreeuwde papa lijkbleek ’.’ Het is een baby!’ Ik wist niet hoe snel ik je  uit die doos moest halen. Je was ogenblikkelijk stil.

‘Daar stonden we dan’,  zei mijn moeder.’met jou ‘. Papa had de doos in zijn armen. Onderin vonden we een briefje met daarop: ‘ Dit is Sunny, geboren op 28 april 1980.’ ‘De liefde die ik voor je voelde was onbeschrijfelijk. Op dat moment, op die dag heb ik jou en mijzelf beloofd dat het wonder geschied was. We hadden elkaar gevonden en ik wilde je nooit meer loslaten,’  zo legde mijn moeder uit. Toen ze het zei biggelden de tranen over haar wangen.

We waren er allemaal stil van. Ik voelde me verdoofd, het drong nog niet goed tot me door.

Eerst zijn we je pleegouders geworden en na enkele jaren zijn we de procedure ingegaan voor adoptie en uiteindelijk is dat gelukt. Je was toen bijna vier. Dat was een dag met een gouden randje’’  zei papa en hij keek me liefdevol aan.

Vandaag sta ik in de straat waar de container indertijd stond; tussen de Lohmanlaan en de Abraham Kuyperlaan in. Ik kijk omhoog naar de inmiddels zeer verouderde flats. Het is een smoezelige buurt waar ik voor geen goud zou willen wonen. Zou daar in die flat mijn moeder wonen of gewoond hebben? Ik staar omhoog en ga met mijn ogen langs de ramen.

Vanmorgen ben ik langs het Politiebureau geweest. Vorige week heb ik gebeld en de situatie uitgelegd. De dienstdoende agent beloofde mij in de oude dossiers te gaan zoeken naar aanwijzingen. Ik kreeg het rapport vanmorgen onder ogen. Er is een buurtonderzoek geweest en op de zesde verdieping van de flat waar ik nu sta is een zekere Mevrouw Oosterdijk aan de tand gevoeld, omdat haar  buurvrouw had gezegd dat deze er meer van wist. Zelf ontkende ze ten stelligste. Ze had nooit van een baby gehoord. Meer is er niet bekend.

Ik zet mijn auto op een parkeerplaats. En nu? Zou die dame daar nog wonen?

Ik besluit naar de flat te lopen en naar de zesde verdieping te gaan. Als ik in het portiek sta en de namen lees zie ik tot mijn vreugde maar ook ontzetting gewoon de naam’ Oosterdijk’ staan. Het zal toch niet zo zijn dat mijn moeder hier gewoon altijd heeft gewoond? Mijn knieën knikken. Zal ik aanbellen? Of zal ik bij de buren aanbellen? Ik besluit tot het laatste.’ Mulder’ staat er op het naambordje.

Heel even zweeft mijn vinger boven de knop. Wat ga ik doen? IK druk de knop in.

Het duurt even voor ik een krakerige stem hoor zeggen: ‘Wat moet dat?’ Even weet ik niet wat ik moet zeggen.’Uh, ik ben op zoek naar iemand en ik hoop dat u me kunt helpen’. ‘ Ja en ik ben de Koningin’,  antwoord degene en weg is het contact. Ik bel opnieuw.’ Volhouder hè’ zegt de stem. ‘Waar gaat het over?’

‘Ik ben zesendertig jaar geleden hier beneden gevonden in de container voor oud papier. Ik ben op zoek naar mijn moeder’. ‘ Spoorloos gezien zeker’,  zegt de stem. Een zucht volgt en dan hoor ik het geluid dat de deur opengaat. Mijn hart maakt een klein sprongetje.

Ik neem de lift en stap uit. In de verte zie ik een oude vrouw op de galerij staan. Ze wenkt. Ik loop er schoorvoetend heen, weet niet wat me te wachten staat. Ze kijkt me doordringend aan. ‘Hoe heet je?’ ‘Sunny’ antwoord ik haar. Weer een diepe zucht. ‘Kom binnen’, zegt ze en wijst naar de woonkamer.

Ik zit op het puntje van mijn stoel.’ Weet u iets van mijn moeder?’ Ze is tegenover me gaan zitten en steekt een sigaret op. De bank is oud en versleten. Een Siamese kat ligt in de vensterbank te genieten van het zonnetje. Zelf ziet ze er keurig uit, met ouderwetse permanent en een bril met gouden montuur.

‘ Zij van hiernaast weet er meer van. Dat is wat ik er van kan zeggen’. Ik trek mijn wenkbrauwen wat op. ‘ Wie is zij van hiernaast?’ vraag ik dan. Ze haalt haar schouders op.’Stel je er niet teveel van voor, want het gaat slecht met haar. Kanker. Ze heeft bijna de hele dag Thuiszorg. Ze praat allang niet meer, dus weet ik niet of ze je wat wil vertellen.’

Ik moet het even verwerken. Niets lijkt erop dat ’mevrouw van hiernaast ‘mijn moeder is. Toch weet ze wel iets. ‘Kunt u misschien aanbellen en kijken of ik met haar kan praten? ‘vraag ik beleefd. Ze haalt weer haar schouders op en dooft de sigaret. ‘Ik ben helemaal uit Almelo komen rijden’,  voeg ik toe. Even kijkt ze voor zich uit. Dan staat ze op en zegt:’ Wacht!’ Ze loopt vervolgens naar de voordeur en verdwijnt de galerij op.

Ik maak van de gelegenheid gebruik rustig rond te kijken. Nergens zie ik foto’s. Zou ze helemaal alleen zijn?, vraag ik me af.

Het duurt maar een paar minuten voor ze weer verschijnt. Een blos op haar wangen.’ Ze heeft me verrot gescholden ’zegt ze beledigd. De Thuiszorg schrok zich een hoedje. Die hadden haar in tijden niet eens horen praten laat staan schelden’. Ik kijk verslagen. ‘Ja’, gaat ze door ’,ze wil er niets meer mee te maken hebben.’ Ik neem het mee in mijn graf’, zei ze. ‘Laat haar opsodemieteren!

Ik rijd huilend weg in mijn kleine Toyota. Wat een desillusie. De waarheid ligt op sterven denk ik dan en veeg de tranen van mijn gezicht. Waarom onthoudt ze mij mijn moeder, uit wie ik ben geboren? Ik heb toch recht op uitleg? Mijn droom spat uiteen.

In de weken erna voel ik me leeg en moe. De doodzieke dame is steeds in mijn gedachten. Wie ze ook is.

Het leven gaat door. De meiden zijn om de beurt jarig, mijn werk eist aandacht en energie op. Maar in mijn gedachten sta ik vaak in de flat. Zoekend naar aanwijzingen.

Dan gaat de telefoon. Ik zal net Irene uit school halen en voel mijn mobiel trillen in mijn jaszak. Onbekend nummer. Jeetje, ik heb haast. Wegdrukken?

Iets zegt me op te nemen. ‘Ja, ze wil je spreken’ hoor ik iemand zeggen en met een schok ben ik wakker. Het is Mevrouw Mulder, ik herken haar stem.‘ Ze is nu echt stervende, dus er is haast bij!’ Ik bedank haar dat ze de moeite heeft genomen om me te bellen. Ik tril en moet even gaan zitten. Wat weet zij?

Als ik Daan bel om te overleggen wanneer ik zal gaan, stimuleert hij mij om die avond er nog naar toe te reizen en te overnachten bij vrienden van ons.

In de auto prepareer ik me op wat gaat komen. Ik ben nerveus en kauw het ene dropje na het andere weg.

Bij de flat parkeer ik mijn auto en bel aan bij Mevrouw Mulder. Ze herkent mijn stem direct en de flatdeur gaat open. De lift zoeft naar boven.

Mevrouw Mulder staat mij weer op te wachten en loopt met mij mee naar de volgende deur. Ze belt aan. Een verpleegkundige met de naam van de Thuiszorg op haar borst, doet open en knikt mij vriendelijk toe. Ik schuifel naar binnen. Een rare lucht komt mijn neusgaten binnen. Ik ken hem door mijn eigen werk; de geur van de naderende dood. Ik voel me rillerig worden. Zou het liefst hard weg willen rennen.

De verpleegkundige leidt me naar een zijkamertje waar de gordijnen bijna gesloten zijn en ik zie een iemand in een bed liggen. Er staat een stoel en de verpleegkundige gebaart dat ik plaats kan nemen.

In de stilte kan ik een beetje wennen aan de figuur in bed. Bleek, haast doorschijnend wit ligt mevrouw Oosterdijk met gesloten ogen. Net als ik denk dat ze misschien wel slaapt, opent ze haar ogen en kijkt me verrassend doordringend aan. Haar stem is zacht en krakerig als ze zegt: ‘ Zo dus jij bent Sunny’.  Ik knik. Het is weer een poosje stil. ‘ Ik zal je zeggen wie je ouders zijn’,

zegt ze dan. Ik schrik me lam. Ouders? Ik ben op zoek naar mijn moeder! Ze heeft zeker gemerkt dat ik schrik want ze zegt:’ Ja daar kijk je van op hè. Dat je ouders hebt’. Weer stilte. Ik wil de woorden wel uit haar trekken!

‘ Jouw ouders heten Galjaard, Diederik en Annie Galjaard. Je vader is vorig jaar overleden, maar je moeder leeft nog gewoon in Den Haag. Maak je geen illusies, want ze wil niets van je weten’. Haar stem begeeft het. Ze schraapt haar keel.’ Wil u een slokje water?’ vraag ik haar. Ze knikt en ik reik haar het glas aan en help haar om er slokjes uit te nemen. Ze knikt dankbaar. Haar ogen gaan weer dicht. Mijn hart gaat tekeer als een gek en mijn mond voelt kurkdroog aan.

‘ Ik werkte voor haar. In de huishouding. Ze is een dame van stand. Haar vader was een hoge pief bij de Shell en je vader was rechter. Haar leven bestond en bestaat uit vertier, uit thee middagen met vriendinnen, feesten, partijen en diners. Ze wonen in en kast van een huis met personeel voor van alles en nog wat. Door een val is ze nu niet goed meer ter been en heeft ze alle hulp van de wereld, want er is geld zat’.  Weer houdt ze op omdat haar stem geen kracht meer heeft.’ Neemt u maar even pauze’,  zeg ik tegen haar. Het blijft een tijdje stil.

Dan gaat ze toch weer verder.’ Op een dag heeft ze me bij zich geroepen. Heel onomwonden vertelde ze mij dat ze zeer ongewild zwanger was. Dat haar man dat onder geen beding te weten mocht komen. ‘Ik wil dat kind niet, ik hou niet van kinderen’. Ik zal je zeggen dat ik zeer geschokt was. Maar wat wilt u dan nu?’ vroeg ik haar. ‘Ze had een plan. Omdat ze astma had zou ze in Davos, Zwitserland gaan kuren. Ik moest mee. Na de bevalling zou ik met het kind terug reizen en zij kwam apart van mij terug. Het kind zou van mij zijn. Maar, zei ze, dan neem je het mee en je ziet maar wat je ermee doet. Ik geef je 10.000 gulden’. Ze was uitgeput en zakte wat weg onder de dekens.

Ik voel mijn benen trillen en moest mijn handen erop zetten om het trillen tegen te gaan. Mijn leven staat op de kop. Ik heb ouders, nee ik heb ze niet, maar ik weet ineens waar ik vandaan kom. Ik heb de neiging om te gaan gillen, maar houd mezelf in bedwang.

De verpleegkundige vraagt of ik een kopje thee wil. Ik kijk haar schijnbaar heel raar aan want ze herhaalt de vraag wat uitdrukkelijker.’ Uh, ja graag’ antwoord ik verward. 

Terwijl ik kleine slokjes neem, kijk ik strak naar de dekens in de hoop dat er beweging komt. Na een poosje hoor ik een zucht. ’ Zo is het gegaan. Je werd geboren en ze heeft je niet eens vast gehouden. Ik kreeg je direct. Na een week mochten we naar huis. Ik heb je in een reiswieg meegenomen in de trein. Toen ik thuis kwam, hier in deze flat, wist ik dat ik je niet kon houden. Ik had Frans leren kennen, een gescheiden man met drie kleine kinderen. Hij had mij gevraagd of ik kinderen wilde en als dat zo was dan verbrak hij de relatie. ‘Zoek dan een andere vent’, zei hij. ‘Ik wil niet nog meer sores’. Toen hij hoorde dat ik met een baby opgezadeld zat werd hij giftig. Ik was in paniek. Toen heb ik je die zaterdag in een doos bij het oud papier gezet. Vanuit de flat heb ik je ouders gezien en vooral hoe blij je moeder was. Dat gaf me rust. Ik hoopte dat ik er nooit meer iets van zou horen, dat je gelukkig was’.

 Op dat moment opent ze haar ogen weer een klein beetje. Als ze ziet dat ik huil pakt ze vanonder de dekens voorzichtig mijn hand. ‘ Je wilt altijd weten waar je vandaan komt als mens’ zegt ze dan zachtjes.’ Ik snap het wel’. Ik klamp me aan haar vast als aan een reddingboei.. Haar hand is broos, ik voel de botjes. 

Zo blijven we een poosje zitten. Het voelt zo onwezenlijk dat zij de eerste was die mij in de armen hield. Na een tijdje kreunt ze wat. De verpleegkundige heeft het gehoord en komt aangelopen.’ Het is een beetje te vermoeiend voor u mevrouw Oosterdijk’ zegt ze tamelijk gebiedend.’ U moet nu rusten!’ ‘ Ja, ja”, antwoordt ze. 

Haar handen strijken langs de rand van het laken als ze zegt:’ Je wilt haar zeker zien?’ Ik haal mijn schouders op en zeg: ’ Ik denk niet dat ze me wil zien. Ze heeft mijn bestaan ontkent. Ik ben er niet. Dus ja’, hier wacht ik even, ‘hoe krijg ik haar te spreken? Wat valt er te zeggen?’Ik voel de tranen weer opkomen en snif. 

Mevrouw Oosterdijk begint wat te draaien in haar bed. Haar handen gaan onrustig over het laken heen en weer. ‘Ben je gelukkig Sunny?’ vraagt ze dan en doet opnieuw haar ogen open. Ik knik:’ Ja, ik ben gelukkig, maar niet compleet. Nu weet ik iets van mijn afkomst en dat geeft me rust. Ik weet nog niet of ik ooit mijn moeder ga opzoeken. Misschien dat ik een glimp van haar kan opvangen.’ ‘ Je lijkt op haar’ zegt ze dan en gluurt door haar oogwimpers. ‘Echt?’ vraag ik. Ze knikt er murmelt ’uh uh’. Ik wacht of ze er meer aan toevoegt. ‘Vooral je helder blauwe ogen en je kin’. Ik wrijf even over mijn kin alsof ik wil voelen wat ze zegt.

‘Ik ben doodmoe’ zegt mevrouw Oosterdijk dan en ik sta ogenblikkelijk op.’Hoe kan ik u bedanken?’ vraag ik en buig me naar haar toe. Krachtig hoor ik haar zeggen:’ Bedanken! Dat ik je heb weggedaan? Ik schaam me ervoor moet ik je zeggen, ik voel me schuldig. Nee, je mag boos op me zijn en me verwensen, dat heb ik verdient!’ Er stromen tranen over haar ingevallen wangen.

Ik ga weer zitten en pak haar hand onder de dekens vandaan.’ U deed wat toen goed was en hebt gezien dat ik goed terecht ben gekomen. En dat ben ik! Mijn moeder moest zich schamen, zij heeft u opgezadeld met haar kind. En wat nog erger is, ze heeft mijn vader om de tuin geleid en zo heeft hij nooit geweten dat hij een dochter had. Dat heeft mijn moeder gedaan. Niet u!’

Haar wangen kleuren lichtrose, haar lip trilt als ze zachtjes zegt:’ Dank je Sunny’

Het lijkt wel of ze helemaal verdwijnt onder de dekens. 

Ik sta weer op en als ik de deur achter me dicht trek voel ik de kwaadheid opkomen. Tegen de tijd dat ik de auto start voel ik me laaiend. Wat heeft mijn moeder in vredesnaam bezield?

Ik kan onderweg niet stoppen met huilen van kwaadheid en verdriet. ‘’ Ze heeft me gewoon ontkent, alsof ik er niet was! ‘ roep ik hardop in de auto en geef een brul. 

Tegen de tijd dat ik thuis arriveer ben ik zo uitgeput dat ik het liefst in bed duik. Marianne, mijn vriendin, is echter opgebleven om mijn verhaal te horen. Het helpt om het verhaal te vertellen en vooral om mijn intense boosheid op tafel te gooien. Daarna voel ik me leeg en moe en jaren ouder. ‘Ik wil dat mens nooit ontmoeten!’ besluit ik mijn relaas. Marianne  zwijgt. 

Als ik de volgende ochtend wakker wordt is de eerste waar ik aan denk ‘dat mens’. Want ze is toch mijn moeder. Zal één blik voldoende zijn om het hoofdstuk moeder af te sluiten? vraag ik mij af.

De weken rijgen zich aaneen. Ik ga op in mijn werk, mijn kinderen, mijn man en probeer het hoofdstuk moeder te deleten. Ik heb geen moeder.

Als ik Lotte naar bed breng en haar al gapend een boekje voorlees zegt ze ineens: 

‘ Jij bent mijn mama’. Terwijl ik haar knuffel voel ik iets knappen in mezelf.  Lotte pakt mijn hoofd en zegt dan: ‘ Waar is jouw mama dan?’ Ik kan de tranen niet meer tegenhouden en ze duwt zich dichter tegen mij aan. ‘ Mijn mama wilde mijn mama niet zijn.  ‘Je kan jouw mama toch zoeken’ zegt ze dan, terwijl ze zich omkeert en mij aanstaart. ‘ Liefje, dat is best een goed idee, maar ik weet niet of die mama dat zo leuk vindt. En, zeg ik triomfantelijk ’Ik heb toch oma Olivia en opa Derk als papa en mama!’ ‘Dat is niet hetzelfde’ besluit ze. Ik ben verbaasd over de openheid van mijn dochter. Zou ze iets gehoord hebben?

Als ik beneden kom en Daan vertel wat Lotte zei reageert hij door te zeggen: ‘Ergens heeft ze gelijk. De vraag is of het je geeft wat je wilt en die vraag kan alleen jij beantwoorden’’ .

IK trek me terug in mezelf en als vanzelf komt vanbinnen het antwoord:’ Ik kan pas zijn wie ik ben als ik weet uit wie ik geboren ben’. Mijn roots zoals dat zo mooi heet.

Hoe kom ik in contact met haar zonder dat ze weet wie ik ben?

Ik pieker me suf. Ineens heb ik het bedacht: ik ga bij haar Thuiszorgbureau in Den Haag solliciteren naar een dagdeel. Misschien kan ik het betreffende bureau wel op de hoogte stellen. Zo kan ik binnenkomen en kijken wat ik aantref. Ik word er helemaal vrolijk van. Maar ook benauwd.

De volgende dag google ik op ‘Thuiszorg instellingen in Den Haag’. Ik kom er meerdere tegen. Als ik zie waar mijn moeder woont besluit ik het Bureau te bellen dat het dichtst bij is. ‘Bureau Maatwerk, waarmee kan ik u van dienst zijn, met Sonja’ wordt er aan de andere kant van de lijn gezegd. Ik leg uit dat ik als ziekenverzorgster een baantje zoek voor enkele dagdelen. ‘ Dat komt goed uit’,  zegt deze Sonja, want we hoorden net dat een collega ziek is geworden en dat gaat wel even duren’. We maken een afspraak voor de donderdagmiddag 14.00 uur. Als ik de hoorn neerleg begin ik te trillen.

Ik heb het Bureau gelukkig gauw gevonden en kan mijn auto in de parkeergarage zetten. Ik ben expres vroeger gegaan, want ik wil langs het huis waar mijn moeder woont lopen.

Met de plattegrond in mijn hand zoek ik de straat op. Een prachtige straat met grote karakteristieke huizen zie ik, als ik de straat gevonden heb. Ik moet op nummer 88 zijn en loop op het trottoir een eind de straat in. 78, 80, 82, dan sta ik stil. Ik ben er bijna. Ik neem het huis dat ik al ontwaar in me op; wat een kast van een huis. Langzaam loop ik verder, mijn hart bonkt me in de keel. Ik zie het voorraam waar enkele grote vazen het uitzicht versperren. Als ik er voorbij ben steek ik de straat over en loop terug. Opnieuw neem ik alles in ogenschouw. Echt een imposant huis met een erker, een balkon en een weelderige tuin. Maar niemand te zien.

Nu komt er een spannend moment als ik op het Bureau ga vragen naar mevrouw Galjaard. Want dat is wat ik wel moet doen. Gesteld dat ze niet bij dit Bureau zit, dan gaat het gesprek niet door. Ik moet de gok wagen en hopen dat ze me begrijpt. Ik knijp hem als een ouwe dief.

Trix de Beer zit al op me te wachten. Ze oogt als een hartelijk mens en ik begin weer wat moed te verzamelen.

‘Zo’,  begint ze het gesprek, ‘ik heb je CV even bekeken en dat ziet er prima uit!’

Ik knik.’ Maar voor alles aan moet ik u wat vragen’ open ik. Ze kijkt op, vragend.

‘Wat ik u ga vragen overkomt u waarschijnlijk niet dagelijks, maar ik kan niet anders’,  vervolg ik. Ze trekt haar wenkbrauwen op.’ Ik wil u vragen of mevrouw Galjaard in uw bestand zit. Ik weet dat u daar geen mededelingen over mag doen en zal uitleggen waarom ik dat vraag.’ Trix  gaat rechtop zitten en kijkt gespannen. ‘Zesendertig jaar geleden ben ik als baby bij de oude kranten gezet en gevonden door mijn huidige ouders. Ik heb uitgezocht wie mijn echte ouders zijn en uitgevonden dat mijn moeder mevrouw Galjaard is. Ze heeft mij weggegeven omdat…’. Hier stop ik omdat mijn stem overslaat en de tranen beginnen te rollen. Trix gaat op zoek naar zakdoekjes en reikt ze me aan. ‘ ze me niet wilde’ zeg ik met dunne ijle stem. Nu ik weet wie mijn moeder is wil ik toch met haar in contact komen, hoe dan ook. Dus heb ik gedacht aan het idee om bij haar te gaan werken en zo zelf iets te ervaren wie zij is.

Trix heeft ondertussen een hoogrode kleur gekregen en schuifelt op haar stoel.’ Ze zit in ons bestand’ zegt ze dan. Ik barst in snikken uit.

We kijken elkaar aan en plotseling staat ze op uit haar stoel en slaat beide armen om mij heen. Het huilen wordt sterker alsof alle verdriet eruit komt.

‘ Tja’,  zegt Trix, terwijl ze weer plaats neemt op de bureaustoel.’ Ik kan kijken wie er werken en of er iets bijkan. Maar er is iets dat ik je wil zeggen’.  Ze kijkt me doordringend aan:’ Ze is niet de gemakkelijkste, maar dat had je vast ook niet verwacht’.  Ik knik: ‘ Nee, daar ga ik vanuit’.

Ondertussen is Trix in haar computer aan het zoeken naar informatie. Ze somt wat namen van vrouwen op die daar werken. Het zijn er wel een stuk of 6. Mevrouw Galjaard heeft heel wat noten op haar zang en eist etiquette; een kanten kleedje onder het theekopje op het dienblad, ja mevrouw, nee mevrouw, geen vragen stellen, de borden serveren en ga zo maar door. Uiteraard betaalt ze ervoor en dat laatste is geen enkel probleem’.

Ze kijkt me vragend aan. ‘Buiten dat moet je echt aangenomen worden en kom je eerst een week op proef’,  vervolgt Trix dan.

Een stem in mijn hoofd roept telkens:’ Je moet het doen, je moet het doen!”

En ik zeg ja.

Trix zucht en zegt:’ Ik begrijp het wel, het is het proberen waard. Ik vind het ook heel erg moedig van je’. 

‘Heeft u mijn vader gekend?’ vraag ik haar dan.’Of misschien medewerkers?’ ‘Persoonlijk ken ik uw vader niet, maar we zijn begonnen toen hij bedlegerig werd, dus zijn er verpleegkundigen die hem verzorgd hebben. Eens even kijken wie er toen werkten’.  Trix typt wat in, fronst haar wenkbrauwen en tikt met haar nagel op de rand van het bureau. ‘ Mmmm, hier heb ik het. Janet heeft er veel gewerkt zie ik’. Trix kijkt me vragend aan’ Wil je in contact komen met Janet? Zij werkt nu niet meer voor uw’. Dan stopt ze.’ Mijn moeder’ zeg ik.’ Oke’,zegt ze dan schouderophalend.

Ze geeft me het telefoonnummer van Janet. ‘ Kijk maar of ze er voor openstaat’,  zegt Trix. Ik stop het papiertje in mijn portomonnaie.

‘ Ik ga overleggen hoe we je verzoek in kunnen plannen. Je hoort het zo spoedig mogelijk’. Zo nemen we afscheid.

Ik loop naar de overkant en leun tegen de brug. Als ik naar het water staar en nadenk over mijn afkomst komt er een grote gelatenheid over mij heen. Ik stel mezelf de vraag die Daan mij ook stelde: ‘ Is het de moeite waard?’

Ik weet het even niet meer.

Twee dagen later krijg ik Trix aan de lijn.’’Je mag een week op proef komen’ zegt ze. ‘ Ben je er nog?’ vraagt ze even later. ‘Ja ik ben er’ zeg ik dan.’ Ik moet het even verwerken’. ‘Dat kan ik me voorstellen’ zegt Trix.

Ze vertelt me dat ik er de avonden werk. Van 18.00 uur tot 11.00 uur. De eerste avond begin je echter om 20.00 uur.’ Wees alsjeblieft stipt op tijd’ maant Trix, ’want anders hebben we de poppen aan dansen’. 

Ik laat van alles vallen, zo ben ik van de kaart. Ik ga mijn moeder ontmoeten maalt het door mijn hoofd. Wie is mijn moeder?

Als ik naar Den Haag rij drie dagen later ben ik op van de zenuwen. In de auto kalmeer ik mezelf.’ Kom op Sun, zo kun je niet verschijnen, kalmeer, ze vreet je tenslotte niet op’. 

De bel is hard en schel en klinkt door tot achter in de hal. Ik heb al gehoord dat Nienke mij opwacht en zal introduceren. Ze weet van niets.

‘Kom binnen’,  zegt Nienke hartelijk. Mevrouw drinkt net een glaasje bessen!’ Ik hang mijn jas op, werp een blik in de immens grote spiegel en fatsoeneer mijn paardenstaart. IK loop achter Nienke aan en wil het liefst achter haar blijven staan, maar ik beheers me. ‘ Dag mevrouw’,  zeg ik en geef haar een hand. Ze zit in een rolstoel en kijkt me onderzoekend aan. ‘Hoe heet je?’zegt ze op zakelijke toon. ‘Sonja mevrouw’, Sonja Moorlag’. ‘Zo, nou werken voor mij is alles behalve een vakantiebaantje’,  begint ze.’ Ik heb een hele rits eisen en die gaan we nu doornemen’.  Ze pakt een papier van de tafel en haar bril. ‘ Nienke, zet de lamp hoger!’ beveelt ze. Dan volgt de waslijst aan verordeningen.

Terwijl zij leest kan ik haar bestuderen. Klein, smal, grijs, keurig, afgemeten. Ineens kijkt ze me aan.’ Let je wel op jongedame?’ Ik schrik ervan en bloos als een schoolmeisje. Ze gaat weer verder.

Zo gaan we alles bij langs en het duizelt me. ‘ Mevrouw, kan de lijst hier ergens liggen zodat ik erop kan kijken, ik kan niet alles in één keer onthouden helaas’,  zeg ik tegen haar. Ze kijkt verstoord op.’ De lijst hangt in de keuken. Het is juist de bedoeling dat je er voortdurend op kijkt.

Dan is het tijd voor Nienke om op te stappen. Op het moment dat ik even met haar mee wil lopen om haar uit te laten zegt de schelle stem: ‘ Dat kan ze wel zelf, jij blijft gewoon hier!’ Ik moet goed doorademen om niet boos te worden. Zo ben ik nog nooit behandeld door niemand, ook niet door de oude mensen in mijn eigen Verzorgingshuis. Maar ik zwijg.

Ik ruim de tafel met de glazen leeg en breng de spullen naar de keuken, zet de vaatwasser aan en maak vast een kruik. Dat moet namelijk stipt om half 9. De kruik moet onderin haar bed liggen, tien centimeter van de onderrand af. ‘En dan bedoel ik dat exact’,  zegt ze. Dan rol ik haar naar de traplift. Ze zucht als ze op moet staan voor twee stappen. ‘ Wacht maar tot je zelf oud bent, dan piep je net als ik’ steunt ze.

Ik loop naast haar de trap op. Zij in de lift en ik ernaast, dat zegt het protocol.

Boven gekomen help ik haar in de rolstoel die daar klaar staat. Ik wacht even.

 ‘ Waar wacht je op? Je moet me naar mijn slaapkamer brengen’, gebiedt ze.

Eerst moet ik nu de kastdeuren openen en zal zij zeggen wat ze morgen gaat dragen voor kleren. Alles hangt symmetrisch en op kleur. Wat een kast! Ze besluit het rode broekpak morgen aan te trekken. ‘ Kijk of hij nog gestreken moet worden’ Ja mevrouw’,  zeg ik gedienstig. Ze knort, dus ik zal het wel goed hebben gedaan. Daarna moet ik haar naar de badkamer brengen en begint het wasritueel. Ik kleed haar uit en zie haar broze lichaam. Ik slik. Uit dit lichaam ben ik geboren, zij droeg mij onder haar hart. Ze pakt de washand aan en begint haar gezicht te wassen. Als ze klaar is vraag ik: ‘Wilt u uw haren nog geborsteld hebben?’.’Nee! Hoe kom je erbij. Dat hoort bij het ochtendritueel’ zegt ze bits. Ik zwijg.

Uiteindelijk ligt ze in bed. Ik sta er bij en weet even niet wat het protocol nu aangeeft. Maar voor dat ik uitgedacht ben zegt ze: ‘ Mijn boek, een glaasje water, 65 graden en twee dropjes uit het doosje op het dressoir’. Ik vlieg al.

Je kunt daar gaan zitten ’zegt ze en wijst naar een stoel aan de andere kant van de kamer. Ik lees en daarna doe jij het licht uit en kun je de badkamer gaan opruimen. En denk om mijn peperdure parfumflesjes, dat je ze niet breekt’. 

Ik ga zitten en zie een oude Libelle liggen. Mevrouw, mijn moeder leest. De bril op het puntje van haar neus. ‘Mag ik vragen wat u leest Mevrouw?’ ‘Nee dat mag je niet’ antwoordt zij. ‘ Haar naam was Sarah’ zegt ze dan. Ik weet niet wat ik hoor want het mijn lievelingsboek. ‘ Hoe vindt u het?’ kan ik niet nalaten te vragen.’ Wat ik vind is dat je me stoort’. Even is het stil. ‘Goed boek’ zegt ze dan, en leest weer verder.

Na  een tijdje gaapt ze luidruchtig.’Het licht kan uit..’. Ze kijkt me aan en zoekt in gedachten naar mijn naam. Bijna wil ik ‘Sunny’ zeggen, maar ik slik het net op tijd in. ‘Sonja’ zeg ik dan. ‘ Sonja’ zegt ze me dan na.

‘Welterusten mevrouw’ zeg ik beleefd en tot morgen. Ze zwijgt.

Beneden gekomen neem ik van de gelegenheid gebruik om de kamer te verkennen. Alsof er alleen maar meubels staan en er niet geleefd wordt. Alles ligt ook hier symmetrisch. In de achterkamer gekomen zie ik ineens een grote foto hangen. Mijn vader. Ik sla de handen voor mijn ogen en krimp in elkaar. Voor mij hangt een man met zo’n mooie, lieve glimlach, dat ik er warm van wordt. Ik moet gaan zitten, want mijn benen lijken wel van was gemaakt. Ik staar hem aan. Mijn vader, en ineens hoor ik mezelf zeggen:’ Dag papa, ik ben het, Sunny. Jammer dat je nooit hebt geweten dat je een dochter hebt’. Als de tranen beginnen te stromen is er geen houden meer aan.

Zo huil ik meer dan een kwartier en het lucht op. Mijn vader blijft naar mij kijken met dezelfde glimlach.

Thuis probeer ik de beelden van mij af te zetten en te genieten van de mooie dingen. Dat lukt aardig met die meiden van mij die vrolijk kwebbelend door het leven gaan

’s Avonds tuf ik weer naar Den haag. 

Ik moet het eten maken en mevrouw zit erbij in de rolstoel. ‘Altijd de pannenlappen gereed houden’ zegt ze. ‘En leg een bord klaar waar je de vieze messen op legt’. We eten stoofpot met peertjes en als alles tenslotte op onze borden ligt zegt ze als ze de eerste hap neemt:’ Niet slecht’.  Ik moet het maar als compliment beschouwen.

Als ik weer in de stoel achter haar bed zit kan ik niet nalaten een vraag over haar boek te stellen.’ Vindt u het ook zo erg dat haar broertje niet uit die kast kon en dat ze zich schuldig voelde?’ Ze kijkt op en legt het boek neer.’ Dingen gebeuren’,  zegt ze dan koel.’ Maar laat me rustig lezen en bemoei je met je eigen leesmateriaal’.

Beneden gekomen ga ik weer een tijdje tegenover mijn vader zitten. Zo gaan de avonden voorbij en tijdens mijn vijfde avond verschijnt Trix. Voor de evaluatie. Mevrouw zit in haar rolstoel en maakt met een gebaar duidelijk dat ik thee moet zetten. Als ik binnen kom zijn de twee dames in gesprek over het weer en de crisis. ‘Nou mevrouw Galjaard, ik ben benieuwd wat u te vertellen hebt over..’Trix zet gauw haar kopje neer, want ze had bijna Sunny gezegd. Ik voel het. Ze herstelt zich en zegt:’ Wat u van Sonja vindt. Mag ze blijven?’

Mevrouw, mijn moeder kijkt me aan als ze zegt:’ Je moet nog een hoop leren meisje en je praat me veel teveel, maar goed, je mag blijven’

‘Dat is dan geregeld? Toch? Sonja?’

Ik had het al besloten. Ik ga blijven voor zolang  ik het aan kan. Diep vanbinnen hoop ik dat ik meer te weten kan komen van haar leven. Door wie of wat is ze zo geworden? Zo eisend, zo weinig flexibel?

‘ Ik blijf graag komen’ zeg ik dan. Maar ze heeft zich al afgewend en gebaart me dat de planten water nodig hebben. Trix geeft me een knipoog.

Na enkele vrije dagen begint mijn nieuwe werkweek. Het gaat als altijd: veel kritiek, geen complimenten en veel gezucht. Ze legt werkelijk op slakken zout.

Als ik de laatste avond eindelijk zit op de stoel achter haar bed, val ik bijna in slaap. Plotseling hoor ik haar zeggen:’ Heb je kinderen?’en ik word met een schok wakker.’ Ja, twee dochters, mevrouw’.  ‘Oh, jammer’, zegt ze dan.’ Ik wilde je net aanraden er nooit aan te beginnen’ ‘Waarom niet?’ vraag ik haar.

Ze legt haar boek met een klap op het nachtkastje.’ Omdat kinderen verschrikkelijk zijn!’  zegt ze fel. Ik voel de vraag omhoog komen en ineens maakt het me niet meer uit of ze boos wordt. ‘Had u zelf een leuke kindertijd mevrouw?’ vraag ik haar en voel de spanning stijgen in mijn lijf, want het is een gewaagde vraag. Ze ligt met haar hoofd achterover op haar kussen, de ogen dicht. ‘Nee, dat had ik niet. Ik was nummer 13, de één na jongste. Het was vreselijk. Mijn moeder hield zich niet bezig met ons, alleen maar met het huishouden en dan mijn vader..’Ze zucht diep.’Mijn vader was de man die achter zijn pet aan tafel het Onze Vader bad, daarna hartgrondig vloekte en weer verder werkte. God hebbe zijn ziel’.

Het is stil. Het lijkt of ze slaapt, maar ik weet dat het niet zo is. ‘ Je kunt gaan’ zegt ze dan en ik vertrek.

In de auto overdenk ik wat het betekent om onder te sneeuwen in een gezin van 14 kinderen. Dan krijg je er dus een bloedhekel aan, denk ik bij mezelf.

Ik schud met mijn hoofd.

De volgende dag gaat mijn mobiele telefoon en ik zie het nummer van het Thuiszorgbureau. Trix is aan de lijn. ‘Sunny, het gaat niet goed met je moeder. Ze heeft vannacht een tia gehad’ Ik weet niet wat ik hoor.’ Maar gisteravond was alles nog goed met haar!’ zeg ik dan. ‘ Tja, ze is op leeftijd en dan gebeurt dat gewoon. Ze was erg verward vanmorgen en riep om haar moeder. Nancy verzorgde haar en wist niet wat ze hoorde. 

Plotseling is het me duidelijk.’ Trix, er is wel wat gebeurd gisteravond. Ze heeft me iets verteld over haar jeugd, hoe verschrikkelijk ze het vond. Kan dat ermee te maken hebben?’

‘Zou natuurlijk wel kunnen. Ik ben helemaal verbaasd Sunny, want ze praat met niemand. Dat ze jou dat verteld heeft. Wonderlijk’. 

Trix vertelt dat mijn moeder gewoon thuis is en in bed ligt. Ze weigerde naar het ziekenhuis te gaan en eiste dat de huisarts bij haar kwam. Toen een jonge diensdoende huisarts binnen kwam heeft ze hem de huis vol gescholden en om een ander gevraagd. Hij bleef echter gewoon en tenslotte gaf ze zich gewonnen.

Ik reis af met een knoop in mijn maag.

Boven gekomen ga ik op de rand van haar bed zitten.’ Heb je schone kleren aan?’ vraagt ze.’Anders kun je zo direct mijn bed verschonen!’  Ik bevestig dat mijn kleren brandschoon zijn en vraag hoe of het met haar gaat.’ Dat zie je toch’ zegt ze. ‘ Slecht’. ‘ Kan ik het wat makkelijker voor u maken?’ vraag ik haar. ‘Nee’ zegt ze gedecideerd. 

Ik taai af.

Als Nancy het om 11 uur van mij overneemt ligt ze raar te snurken. Ik maak me zorgen. Ik wijs naar de gang en maak het gebaar van’ even praten’ . Op de gang zeg ik: ‘Als er iets gebeurt, wil je me dan bellen? ’ Hoezo?’ vraagt Nancy en ze kijkt me raar aan. ‘Omdat ik het wil weten’ antwoord ik. Nancy haalt haar schouders op. ‘Het is maar een cliënt hoor!’zegt ze dan verongelijkt. Ik zwijg.

‘Oké’ zegt ze dan.’Als jij dat zo graag wil’

Als ik terug naar huis rijd ben ik niet gerust. Ze zal me nu toch niet ontglippen nu ik haar net begin te leren kennen flitst het door me heen. Ik slaap slecht die nacht en lig te woelen in bed.

Net als ik mijn eerste beschuitje die ochtend in mijn mond wil stoppen gaat mijn mobiel. Ik gris hem uit mijn tas. Snel zie ik dat het Trix is. Ik neem op. ‘Met Sunny’. Ik hoor het direct bij het eerste woord. Mijn moeder is er niet meer.’ Wat spijt me dit voor je ’zegt Trix, maar ik heb het nummer al weg geklikt. De telefoon gaat opnieuw. Ik neem hem zwijgend aan. Trix praat verder.’ Even na zessen vroeg ze Nancy om water. Terwijl Nancy het glas ging vullen en aan haar wilde geven zag ze dat ze haar laatste adem uitblies,  eindigt Trix. Ik kan niks zeggen. Het voelt alsof mijn keel dicht zit. Trix wacht geduldig af. Ik schraap mijn keel en probeer wat te zeggen’ Ik had het al verwacht’  breng ik krakend uit. Ik kom eraan. Goed?’ Trix vraagt me voorzichtig te rijden.

Ik vraag de buurvrouw de kinderen van school te halen en niet veel later rijd ik weer richting Den Haag.

Trix vangt me op en slaat haar armen om me heen. Samen lopen we naar boven. ‘ Ik wil heel graag een poosje alleen zijn’ zeg ik dan. ‘Prima’,  antwoord ze.

Ik schuifel naar binnen. De gordijnen zijn nog dicht, maar het lampje naast haar bed staat aan. Mijn moeder. Ze heeft een vage glimlach om haar lippen. Haar gezicht is wasbleek. Haar handen liggen gevouwen over elkaar alsof ze bidt. Voor het eerst van mijn leven raak ik haar aan. Ze is nog niet helemaal koud geworden. ‘Dag mam’ zeg ik zachtjes. Ik pak haar beide handen en streel ze stilletjes. ‘ Ik heb je gevonden en toen was het goed. Ik weet zeker dat je me nu hoort. Het is echt een wonder dat ik zo dichtbij je was. Nu laat ik je gaan. Ik wilde je nog zoveel vragen, maar je hebt me eigenlijk wel laten weten dat je

geen herhaling wilde van wat jij hebt meegemaakt. Het is goed zo mam’. Zo zit ik een poosje stil bij haar, mijn hand op haar handen. Dan sta ik op.

Ik werp nog een laatste blik op haar. Mijn moeder.

In kleine kring nemen we afscheid van haar. Ze ligt in de kist beneden in de woonkamer. Alle dames van het Thuiszorgbureau die haar verzorgden zijn gekomen. Niemand weet nog iets. Behalve Trix. Zij neemt het woord en schetst het leven van mevrouw Galjaard. Dan vraagt ze mij het woord te nemen. Alle dames kijken verbaasd. Ik heb geen papier voor me als ik begin.’Vandaag neem ik afscheid van mijn moeder’. Er gaat een schok door de kamer. Sommigen slaan de hand voor de mond.’ In de zoektocht naar het begin van mijn bestaan vond ik de vrouw die mij droeg, die mij baarde, die mij afstond. Maar toen ik haar vond heb ik een glimp gezien van wie zij moest zijn geweest als kind. Niet gezien, ontkent, geen plek. Ik kan alleen maar zeggen dat ik weet waar ik vandaan kom en daar enorm dankbaar voor ben. Jullie allen wil ik dank zeggen voor de zorg rondom een moeilijk mens. Maar wel een mens. Ik laat haar gaan.  Het is goed zo.

Als ik naar huis rij stromen de tranen over mijn wangen.


Geplaatst door Isabelle Hofstra

Isabelle Hofstra

In 1992 kreeg ik van iemand het boek : ‘Luisteren naar kinderen ‘van Thomas Gordon. Ik was direct gefascineerd door de praktische benadering die hij heeft naar communicatie en omgang met kinderen.

Balans in de relatie ontstaat door de grondtoon van deze methodiek: ik ben belangrijk, jij bent belangrijk...


Bekijk alle artikelen en de volledige beschrijving van Isabelle Hofstra



Laatste artikelen in deze categorie


Lees alle artikelen in deze categorie


Dit artikel delen





Print artikelArtikel als PDF

Tip iemand over dit artikel:


Quote

Alle ideologieën zijn idioot, of ze nu religieus zijn of politiek, want het is het conceptuele denken, het conceptuele woord, waardoor de mensheid zo verdeeld is geraakt. Je geloof in God is niet meer dan een ontsnapping aan je eentonige, stompzinnige en wrede leven.

Jiddu Krishnamurti, Indiaans filosoof











Bij de verkeerde Earth Matters belandt? Klik op onderstaand logo om naar Earth Events te gaan.