Listig

OLD HANDS

Klik op de foto voor een
vermelding van de copyrights

Taal:Taal
Views:4062
Ingevoerd:
Geplaatst door:
Bron:Hart tot hart

Gekoppelde categorieen
Bewustzijn

Het was hun gelukt! Het was hem gelukt! God zij dank en dat meende hij deze keer oprecht.

Koos en Geert lagen uit te hijgen naast hem en zelf probeerde hij zijn ademhaling ook te reguleren. Het was berekoud hier bovenin de school, maar het voelde zo heerlijk veilig dat het hem niets uitmaakte. Ze wreven hun handen warm en verkenden de omgeving. Het was voornamelijk oude troep die ze zagen staan. Wandplaten, oude kranten, kapotte bankjes en leerboeken, een partij hout en wat oude vloerkleden. Spinraggen hingen aan de houten balken en de geur was muf. De school werd al maanden niet meer gebruikt, omdat er niet voldoende brandstof was om het gebouw te verwarmen.  In de verte hoorden ze de overvalwagens met gierende banden door de straten gaan. Het geschreeuw van de Duitsers was niet van de lucht. Ze huiverden alle drie. Ontsnapt. Uit de klauwen van die gehate Duitsers.

Ze hadden het een aantal weken geleden uitgezocht met z’n drieën; als er huiszoeking zou komen, zouden ze naar de zolder van de Lagere School vluchten. Dat het stond te gebeuren wisten ze alle drie. Alle jongens vanaf 18 jaar werden geronseld en zij waren al twintig, dus zat het eraan te komen.

Ze hadden de zolder verkend door met de Bovenmeester een praatje te maken.  Uiteindelijk vertrouwden ze hem en vroegen ze hoe ze binnen konden komen als het zover was. Meester Matsier was een goede Vaderlander en hij besprak met hen een plek waar hij de reservesleutel zou verstoppen. Ze waren hem nu maar wat dankbaar.

Ze waren alle drie van een andere kant gekomen. Koos was er als eerste, toen Geert en hij, Gijs, was de laatste geweest. Het had maar een haar gescheeld of hij was de pineut geweest; toen de moffen aan de voorkant over het hek sprongen had hij zijn jas nog net mee kunnen grissen en was hij door de achterdeur ontsnapt. Hun huis lag met de achterkant tegen het bos aan en zo was hij direct uit het zicht geweest. Met een omweg was hij naar de school gevlucht. Hij trilde als een espenblaadje toen hij aankwam.

Toen ze weer op adem waren gekomen, voelden ze de kou door hun botten heen komen. Allemachtig wat tochtte het hier. Koos stelde voor om de oude kranten en boeken te gebruiken om de gaten en kieren bij de dakrand te gaan dichten. Daarna gebruikten ze op bepaalde plekken de oude vloerkleden. Het was een heel karwei, maar het verschil was na verloop van tijd aanmerkelijk.

Ze haalden hun zakken leeg om te kijken wat ze hadden kunnen meepakken alvorens ze op de vlucht sloegen: touw, een winterwortel, een zakmes, een knijpkat, een lepel, een homp brood en 2 appels. Dat was de schamele winst. Ze keken elkaar aan. ‘Het is niet veel’, zei Geert en Koos bromde: ‘Het is tenminste wat’.

Ze verdeelden het brood, de wortel en de appels en even was het stil op het kauwen na. Ze waren allemaal in gedachten.

‘ En nu?’, vroeg Gijs, ‘Hoe nu verder?’ Hij keek hen vragend aan.

Weer werd het stil. Ze hadden niet verder kunnen denken dan een veilige plek.

‘ We moeten aan water en dekens zien te komen. Als het donker wordt, gaat één van ons op de uitkijk staan en de ander loopt naar het huis van meester Matsier. Hij kan vast wel iets ritselen’, zei Geert kordaat. De andere heren knikten.

Het geschreeuw buiten was niet van de lucht. Ze keken door het piepkleine dakraampje om een glimp op te vangen, maar het raampje was te klein.

Toen het donker was, bood Koos aan om aan te bellen. Hij had tenslotte zelf met de bovenmeester gesproken, dus zou de man hem herkennen. Gijs en Geert zouden alles in de gaten houden. Het was onderhand doodstil op straat geworden.

Koos deed zijn klompen uit en liep op zijn sokken de steile trap af, nadat de andere jongens het luik van de zolder open hadden gemaakt. Hij sloop voorzichtig langs de wanden en maakte met de sleutel de achterdeur open. Het slot ging moeizaam open en de deur knarste een beetje. Even wachtte hij, maar toen het stil bleef schoot hij door de tuin naar de achterdeur van meester Matsier die naast de oude school woonde. Hij luisterde aan de deur en hoorde mevrouw Matsier met de potten en pannen bezig. Plotseling klonk de stem van de bovenmeester: ‘De ploert, ik kon hem zijn nek wel omdraaien’. Zo dat was klare taal, dacht Koos. Heel zachtjes probeerde hij of de deur open was. Gelukkig!

‘ meester Matsier’, riep hij op zachte toon. Meester Matsier!’ , hij verhief zijn stem nu iets meer.

Plotseling stond de meester in de hal met grote ogen te kijken naar de jonge gestalte en herkende in een oogwenk de jongen die hem de sleutel had gevraagd.

Hij trok de deur achter zich dicht, zodat zijn vrouw het niet zou horen. Niemand moest meer weten in de oorlog dan dat hem lief was.

‘ Ik begrijp dat jullie op de zolder zitten’, zo begon hij. ’Ik had al begrepen dat er her en der invallen zijn gedaan en dat de vangst rijk was. Maar gelukkig zijn jullie dus de dans ontsprongen’. Koos knikte. ‘Kunt u ons helpen, want we hebben spullen nodig!’ Meester Matsier wreef over zijn stoppelbaard en vroeg: ‘Wat hebben jullie nodig?’ ‘ Tja’, zei Koos, ‘even denken. Water natuurlijk, dekens, een emmer, misschien een baal stro om op te liggen, wat eten en warme kleding want we konden niets meenemen, het ging allemaal zo snel’.

‘Wacht’, zei meester Matsier, hij griste een jas van de kapstok, ‘deze draag ik niet meer en hier, neem deze sjaal en deze pet maar mee. Eens even denken: dekens liggen op zolder en in de schuur heb ik nog een goeie jerrycan waar ik water in kan doen ’. ‘Wacht hier, laat je niet zien, mijn vrouw hoeft er niets van te weten. Ze kan dan ook niets verraden’. Voor Koos het wist was de meester verdwenen en kwam hij terug met de jerrycan die hij ook al gevuld had. Hij woog heel wat. Even later kwam hij met een emmer met deksel aanzetten. ’s Nachts kunnen jullie de toiletten gebruiken, overdag uiteraard niet’.

‘ Bedankt meester’, zei Koos. ‘Er staan twee jongens op de uitkijk, ik breng ze vast het water, de emmer en  de jas en zo’. Gijs tilde het water de zoldertrap op en ondertussen gaf Koos aan Geert de jas en de dekens die van zolder waren gehaald. Als laatste bracht meester Matsier hem een brood en een paar sneden roggebrood. ‘Het is niet veel, jongen, maar ik ga op zoek naar meer’. ‘Morgen zal ik op de één of andere manier zorgen dat er stro boven komt, ik heb wel contacten met verschillende boeren, dus dat moet lukken.’

‘ Duizendmaal dank Meester’, zei Koos en hij verdween door de deur.

Meester Matsier keek de gestalte na en schudde zijn hoofd.

Ze installeerden zich zo goed en zo kwaad als het kon. Er was nog één dik kleed  over waar ze op gingen liggen en ze trokken de dekens stevig om zich heen. Daaroverheen legden ze hun jassen. Het duurde niet lang voor ze sliepen. Alleen Gijs lag wakker en maakte zich zorgen. Zijn vader was ernstig ziek en nu stond zijn moeder er alleen voor. Ze had, toen hij door de achterdeur wegvloog, langzaam de voordeur geopend om de Duitsers die ervoor stonden te woord te staan. Ze hadden haar bruut aan de kant geduwd en gevraagd: “’ Wo ist ihr sohn?!!’ Ze had net gedaan of ze de man niet verstond en haar schouders opgehaald. Het maakte de Duitser razend en hij brulde nu dezelfde zin. Ze zweeg. De Duitser wilde de slaapkamer van haar man binnengaan, maar ze ging er kaarsrecht voorstaan en zei op duidelijke toon: ‘ Komt niets van in, mijn man is ernstig hartpatiënt’ . ‘Offen machen’, sommeerde hij. Ze deed de deur open en gunde hem de Duitse soldaat een blik. Hij zag de roerloze zeer bleke gestalt in het bed en maakte rechtsomkeert. ‘Durchsuchen!’ zo brulde hij en wees naar boven. De soldaten, drie in getal, vlogen de trap op. Ze beukten her en der op de muur met hun geweerkolven. Ze vonden niets.

‘Wir kommen zuruck, ‘ zei de Duitser, klakte met zijn laarzen en liet één van de soldaten de deur open maken.

Gijs staarde naar de zoldering zonder te weten wat er thuis was voorgevallen. Kon hij zijn moeder alleen laten?

Tegen de ochtend viel hij eindelijk in slaap.

Koos maakte hem wakker door bij zijn oor te toeteren, hij schrok zich een ongeluk. ‘ Hé maat, ophouden je laat me schrikken!’, zei hij tamelijk boos.

‘Ik heb van alles geprobeerd om je wakker te krijgen, maar het lukte me niet, dus dan maar op deze manier’,  antwoordde Koos.

Ze verdeelden stukken brood en wasten hun gezicht met het water uit de jerrycan. De regen kletterde op het dak.

 ‘We kunnen hier niet blijven’, zei Geert plotseling. ‘We vernikkelen hier’. De beide jongens knikten en alle drie dachten ze na over een mogelijke oplossing. ‘Laten we alles eens op een rijtje zetten’, zei Gijs. ‘We zijn in ieder geval veilig zoals het nu lijkt’. ‘Hoe kunnen we zorgen dat we hier wel kunnen blijven, wat moet er dan gebeuren?’ Het was weer een poosje stil en ze zaten verzonken in gedachten. ‘Een kacheltje zou mooi zijn en een butagasstelletje om wat warm te maken’, zei Koos. ‘Op zijn minst één goeie lamp’, vulde Geert aan. Er werd instemmend geknikt. ‘Wat ook belangrijk is, zei Gijs toen, ‘ dat is dat we weten hoe het ervoor staat in het dorp en met onze ouders. Wie is er opgepakt en wie niet?’  Geert ging plotseling staan en keek hen dreigend aan: ’ Ik kan jullie wel vertellen dat ik het er niet bij laat zitten als er iets gebeurd is in mijn familie. Het kan me niet schelen wat jullie ervan vinden, maar dan ga ik zinnen op wraak.’ Hij keerde zich om en liep een eindje bij de anderen vandaan. Koos en Gijs keken elkaar aan. Koos reageerde als eerste: ‘ Wraak is wel het laatste waar ik aan denk Geert, want dat gaat ten koste van onze eigen veiligheid en we weten dat er dan represailles zullen komen’. ‘Ik denk ook aan mijn moeder Geert’, zei Gijs toen. ‘Zij staat er nu alleen voor, mijn pa is ziek, wat gebeurt er als wij zo nodig wraak moeten nemen?’

Het werd weer stil op de zolder. Buiten hoorden ze karren ratelen en de torenklok die 10 uur sloeg. Een gewone dag, maar zo voelden ze het alle drie niet. ’Hé jongens’,  zei Koos ineens ’kop d’r veur hè! We hebben die Moffen een poepie laten ruiken. Ze hebben ons niet kunnen pakken!’

Ze hadden een teken afgesproken met meester Matsier als hij boven zou komen. Plotseling hoorden ze de drie korte klopjes en één bons extra. Verwachtingsvol keken ze naar het luik. Meester Matsier verscheen. Om zijn schouders had hij een tas met allerlei spullen en hij zeulde een staande lamp mee. ‘Gelukkig, licht’, zei Gijs blij.

Uit de tas kwam van alles en nog wat, waaronder een kan surrogaat koffie, wat met gejuich werd ontvangen. Verder wat handdoeken, schoon ondergoed, gebreide wanten, een worst en roggebrood. Ze vielen gretig op het eten aan.

‘Beneden heb ik 2 pakken stro staan, dus als jullie even bij het luik willen gaan staan, dan hijsen we ze naar boven’, zei meester Matsier toen hij zag dat hun magen weer wat gevuld waren.

Even later stelde hij voor om eens goed te kijken of ze op de zolder niet nog een plek konden vinden om zich te verstoppen. ’Jongelui, het blijft onrustig en we moeten voorzichtig zijn en blijven. Als ze hier ooit een kijkje komen nemen dan tikken ze het verkeerde signaal of ze tikken helemaal niet. Dan hoop ik dat jullie ze al hebben horen aankomen. ’Hij keek rond en liep naar een hoek. ‘Mmmm, hier zit een soort kast of zo. Zouden jullie daar inpassen? Probeer eens’. Ze konden er naast elkaar op hun hurken zitten, stijf tegen elkaar aan, maar het wilde wel.

‘We moeten een haak aan de binnenkant maken en zo kunnen jullie hem dicht trekken. We zouden die oude landkaarten erop vast kunnen maken, dan lijkt het daarvoor bedoeld en het dempt ook nog eventuele geluiden. Wat vinden jullie?’

Ze knikten alle drie, omdat ze zich realiseerden dat het absoluut kon gebeuren. Vervolgens gingen ze aan het werk en het eindresultaat was echt perfect. Nog één keer oefenden ze hoe ze moesten zitten en daarna ging meester Matsier door het luik, klopte een verkeerd signaal en schoten de jongens de kast in. Precies op tijd. Mooi, het werkte.

De volgende dag was er weer veel lawaai in de straten. Ze hoorden legervoertuigen rijden en schreeuwende soldaten. Het maakte hen alle drie onrustig. Weer een inval. Bij wie? Ze probeerden door het piepkleine raampje te kijken, maar konden zo weinig ontwaren. Het duurde uren en ze konden helaas niets doen.

’s Avonds hoorden ze ineens het bekende klopje op het luik en stak het hoofd van meester Matsier boven het luik uit. Ze zagen direct dat er iets was gebeurd. De drie jongens stonden roerloos toe te kijken hoe meester Matsier op één van de kleden ging zitten en met zijn hand door zijn haar streek. Ze gingen bedremmeld bij hem zitten en niemand sprak een woord.

Na een aantal minuten zei meester Matsier: ‘ Er is iets gebeurd en ik zou willen Gijs dat ik je ander nieuws kon brengen, maar je vader is vannacht overleden’.

De ogen van Gijs werden groot. Hij sprong op en schreeuwde het uit. Ze vlogen naar hem toe om hem vast te houden. Hij tierde en vloekte en snikte luid. ‘Dat is de schuld van die Duitse klootzakken, godver’,  toen zakte hij op het kleed in elkaar en bleef ineen gedoken zitten. Geert en Koos hadden een arm om hem heen.

Ineens keek hij op, veegde zijn tranen weg en zei:’ Ik wil hem zien, ik wil erbij zijn als hij begraven wordt’. Ze keken hem verschrikt aan.’ Het maakt me niks uit, dan word ik maar gepakt’. Meester Matsier nam het woord: ‘Begrijpelijk jongen, heel begrijpelijk, maar dan hebben die klootzakken jou ook nog beet. Is dat wat je zou willen?’.

Iedereen was in gedachten verzonken en Gijs snifte na.

‘Ik heb een plan dat ik uit wil broeden’ , zei meester matsier toen ineens. Ze keken hem verwachtingsvol aan. Hij zweeg eerst geruime tijd alsof hij al begonnen was met het uitdenken. Toen vroeg hij Gijs: ‘Heb ik het goed dat je vader een broer heeft die in Rotterdam woont?’ Gijs knikte. ‘Ja, oom Sake’. ‘Zullen we ervan maken dat hij twee broers heeft?’ Ze keken elkaar aan. ‘ U bedoelt, we verzinnen iemand en dat is dan Gijs?, vroeg Koos toen. ‘ Precies’, antwoordde meester Matsier. ‘Ik ga bij de toneelvereniging kijken wat de mogelijkheden zijn voor een vermomming. Ik weet dat ze van alles hebben op dat gebied; pruiken, baarden, snorren. We trekken je een pak aan met stropdas en al en zo verschijn jij op de begrafenis, Gijs. Je hebt echter wel een ausweis nodig, dus je moet op de foto, eens kijken, ja, ik weet een fotograaf. Die moet dan maar hier komen.  Ik licht je moeder in die de familie vervolgens moet inseinen, maar wel pas op het allerlaatst. De Duitsers zullen er bij zijn om te kijken of je als zoon op de begrafenis van je vader verschijnt’.

Het was een bizar plan, maar wel eentje met mogelijkheden. ‘Gijs’,  zei meester Matsier toen, ‘hier heb ik een vulpen en wat briefpapier. Ik neem aan dat je je moeder wat wilt laten weten’, en hij stak het hem toe. Gijs keek hem dankbaar aan.

Toen meester Matsier was vertrokken bespraken ze het plan nog eens uitvoerig. Gijs kreeg het opnieuw te kwaad en de tranen liepen hem over de wangen. ‘Ik heb er een lief ding voor over dat ik erbij kan zijn. En als het me de vrijheid kost, nou dan is het maar zo’.

Hij pakte het papier en zonk neer op de kleden. Terwijl de lamp een zacht licht verspreidde, begon hij zijn brief. Het was geen gemakkelijke opgave. Wat moest hij schrijven? Zijn gedachten gingen uit naar zijn pa, die allang ziek was, maar met wie hij een goede band had. De avond voordat hij was ondergedoken hadden ze samen geschaakt op het bed van zijn vader. Pa had gewonnen en Gijs had hem beloofd revanche te nemen. Zijn vader had hem ernstig aangekeken en gezegd:

‘ Geen beloften jongen, dat kan nu niet. Zorg wel dat je uit de klauwen van die Moffen blijft, dat mag je me wel beloven. Ben je erop voorbereid dat je ergens heen kan?’ ‘Ja, pa’ zei Gijs, maak je geen zorgen, mij krijgen ze niet!’

Zijn vader had hem doordringend aangekeken en geglimlacht. Dat beeld, dat moest hij maar nooit vergeten, dacht hij nu. Er zat een brok in zijn keel toen hij begon te schrijven.

Gijs had praktisch de hele nacht wakker gelegen. De anderen hadden liggen snurken. De stemming was bedrukt.

Meester Matsier verscheen rond het middaguur. Weer had hij een grote tas mee en daaruit kwamen allerlei dingen als pruiken, een grijze snor, een soort sikje, een bril met jampotglazen, een net zwart pak, een hoed en tot slot een zwarte stropdas.

Gelukkig had hij ook hete thee mee in een kan en brood met wat boter en jam. Ze smulden.

‘Gisteravond ben ik bij je moeder geweest Gijs en heb haar alleen gezegd dat je het weet en dat je bedroefd bent, maar dat we een plan aan het uitdenken zijn zodat je bij de begrafenis kan zijn’.  ‘Hoe reageerde ze?’ , vroeg Gijs. ‘ Heel goed Gijs en ze begreep direct dat dit het enige was wat ik kon zeggen’.

‘Trek het pak eens aan Gijs, dan kunnen we zien hoe dat je staat en dan doen we al die attributen op en beoordelen we of het kan’. De fotograaf kan elk moment komen.

Toen Gijs zich verkleed had was het resultaat verbluffend. Wat een pruik, een baard en snor al niet konden doen. Koos riep ineens: ‘We kunnen je een kleine bochel op je rug geven, dan kun je wat gebukt gaan, dan hoef je niemand echt aan te kijken en met je stok lijkt dat vast heel echt’. ‘Een heel goed plan Koos. Wacht eens even’,  zei meester Matsier en verdween naar beneden. Even later kwam hij door het luik met een kussentje in zijn hand. Ze duwden het onder zijn overhemd en zo was de bochel geboren. Na een half uur verscheen een onbekende man met een groot apparaat bij zich. Hij knikte hen toe en stelde snel zijn statief op. Een stoel met slechts drie poten werd als zitplaats gebruikt. De bril met de jampotglazen maakte dat Gijs draaierig werd en toen hij nadat de foto was gemaakt de leuning vastgreep, kiepte hij bijna om. Geert kon de stoel nog net tegen houden. Ze glimlachten en even was er een ontspannen moment, maar dat duurde niet lang. Daarvoor was de situatie te ernstig.

‘Praat eens even als een oude man Gijs’ stelde meester Matsier voor. Gestel dat de Duitsers je aanhouden moet je je toon hebben aangepast. Hoe heet je eigenlijk? ‘vroeg hij toen.

“Oom Adriaan’, zei Geert’ is dat wat Gijs?’ Gijs knikte. ‘Welke plaats ken je goed?’ vroeg koos .Het was even stil. ‘ Ik heb in Voorburg gewoond, dus daar ken ik straten en gebouwen en zo’. ‘Mooi, waar woonde je?’ ‘De Scheperstraat 28a. Het was een portiekwoning en we woonden op de derde etage’,  antwoordde Gijs. ‘Hoe oud ben ik eigenlijk?’ vroeg Gijs toen, hen alle drie aankijkend. ‘Minstens 70’,  antwoordde Koos. ‘ Mijn oom Arie heeft een bochel en is 71, dus dat zou ik zeggen Gijs’.

Uiteindelijk was een half uur later het plan klaar en kon Gijs gaan repeteren.

De begrafenis zou die zaterdag zijn, dus nog drie dagen te gaan. De andere jongens zouden in de school blijven.

Naarmate da dagen vorderden steeg de spanning. Zo erg zelfs dat Gijs die vrijdag ineens zei dat hij het niet durfde. Ze moesten behoorlijk op hem inpraten en hem zo overtuigen dat hij anders spijt zou krijgen.

Meester Matsier verscheen tegen de avond op de zolder met in zijn hand een enveloppe. Zwijgend gaf hij hem aan Gijs. Hij dook ermee in de hoek wel wetend dat het bericht van zijn moeder zou zijn.

Er stond:

Lieve Jongen, het is zwaar maar het gaat goed met me. Ik wist dat het einde van je vader nabij was. Voor jou is het erg dat je dit niet van nabij kan meemaken. Houd je taai jongen, Gode bevolen,

Moeder.

Hij stopte de brief in zijn broekzak, maar haalde hem er even later weer uit. Hij besefte dat het gevaarlijk zou zijn om hem bij zich te houden. Spiedend keek hij rond, waarop meester Matsier zei: ‘Zal ik hem voor je opbergen Gijs, dan krijg je hem terug als deze rotoorlog voorbij is’. Gijs knikte en stak hem de brief toe.

Nadat ze wat hadden gegeten en warme thee hadden gedronken, spraken ze door hoe oom Adriaan ten tonele gevoerd zou worden.

Die nacht sliep Gijs nauwelijks. Het was koud en hij klappertandde. Ook van alle spanning die hij voelde. Toch was hij vast besloten te gaan. Voor zijn pa. Hij hoopte dat hij hem nog kon zien en zo afscheid kon nemen.

En dat de list zou lukken.

Ze hadden het nog nooit zo koud gehad als die zaterdag toen ze wakker werden. Geert zag als eerste dat er sneeuw op het kleine raampje lag. De eerste sneeuw van dat jaar. Ze begonnen rondjes te lopen en kniebuigingen te maken om warm te worden. Meester Matsier verscheen met hete thee en brood. Ook had hij een lange zwarte mantel bij zich.’ Deze heb ik even geleend van mijn zwager. Zal je goed staan Gijs met je pak eronder’.

Ze aten zwijgend. ‘ Ik heb mijn vrouw naar haar zuster aan de Klingendaallaan gebracht, dus je kunt mee naar mijn huis komen om je te verkleden Gijs. Ach, jullie kunnen ook mee’, zei hij,  ’dan kunnen jullie je eens even opwarmen bij de kachel’. Ze keken hem dankbaar aan.

Zo togen ze naar beneden en meester Matsier ging voorop.

‘Zo direct komt mijn broer met de auto hierheen. Dan stappen we in en rijden we naar de Hervormde kerk. Omdat je familie bent brengen we je naar de consistorie. Blijf zoveel mogelijk in je rol Gijs, want maar weinig mensen weten het’.  ‘Maar wie weet het dan. Mijn zus Trieneke?’ ‘Zij hoort het vlak voor die tijd van je moeder’, zei meester.

Toen Gijs oom Adriaan werd, gebocheld en wel, oefenden ze voor de laatste keer waar hij geboren was, hoe zijn ouders heten en liep ‘Gijs’ half naar beneden kijkend door de kamer. Met stok. ‘Schuifelen Gijs’, zei Meester Matsier, ‘je bent minstens 70 nu’!

Buiten toeterde een auto. Tijd om te gaan. Tijd voor de list. Gijs zuchtte. Buiten gekomen benam de kou hem de adem.  Een witte wereld verblindde zijn ogen. Vanonder zijn bril gluurde hij de straat in. De sneeuw lag als een witte deken op de straat en de takken van de bomen waren bedekt met een laagje sneeuw.

In de auto heerste volkomen stilte. Iedereen leek zich voor te bereiden op wat komen ging.

Toen ze bij de Hervormde kerk aankwamen sloeg de schrik hen al direct om het hart. Het wemelde er van de Duitse soldaten. ’Gijs!’,  zei meester Matsier, ‘kalm aan, je bent nu helemaal geen Gijs meer, begrepen!’  Gijs knikte.

Ze stapten uit en ‘Gijs ’schuifelde met zijn stok voorzichtig richting de kerkdeur. Toen hij er bijna was hoorde hij een stem die bulderde:’ Stehen bleiben!’ Er voer een siddering door hem heen, maar ook een ongekende kracht. Met een stem als van een krakende wagen zei hij terwijl hij de Duitser recht in de ogen keek: ‘Hebt u het tegen mij, een oude man die zijn broer moet begraven?’

‘Ausweis!’ sommeerde de Duitser. ‘Gijs’ graaide in zijn jaszak. Toverde er sleutels uit, een zakdoek en brillenkoker. Heel langzaam voelde hij in zijn andere jaszak. ‘Schneller, alte!’ , zei de Duitser. Tergend langzaam gaf hij het bewijs af. Het duurde even. Meester Matsier was doorgelopen. ‘Woher kommen sie?”, ‘Voorburg’, antwoordde ‘Gijs’. ‘En nu ga ik mijn broer voor de laatste maal groeten’, zei ‘Gijs’. Hij wachtte niet, maar liep door. Binnen gekomen greep meester Matsier hem bij de arm en zei luidkeels: ‘ Fijn dat u kon komen Meneer Kuipers’. Zo liepen ze de consistoriekamer binnen en sloten direct de deur.

Toen Gijs zijn moeder zag begonnen de tranen te stromen. Ze omarmden elkaar. Ook Trieneke kwam erbij staan. Het voelde goed zo met zijn drieën.

Zijn moeder leidde hem naar de kist. Vader. Hij sloeg de handen voor zijn gezicht en huilde bittere tranen.’Dag pa, jij bent veilig en ik laat me niet pakken’, zei hij zachtjes. Resoluut keerde hij zich om.

De Duisters gingen mee naar de begraafplaats en keken voortdurend spiedend rond. ‘Gijs’ groeide in zijn rol. Hij lichtte voortdurend zijn hoed als groet naar deze en gene. De Duitsers keurden hem geen blik waardig. Bij het graf begon het opnieuw licht te sneeuwen. Kleine vlokken vielen op de kist neer. ‘Gijs’ sloot zijn ogen toen de grafdelvers de touwen lieten zakken. Voorbij, dacht hij, het leven van mijn vader is voorbij. Maar ik laat me mijn leven niet afnemen. Het gaf hem een ongekende kracht.

De Duitsers stonden bij het hek te wachten en keken iedereen nauwlettend aan. Toen ‘Gijs’ verscheen liet één van de soldaten een grove boer. ’Scheisse’, zei hij, was ist kalt’. ‘Gijs’ moest zichzelf bedwingen de man niet naar de keel te grijpen. Hij kon zich inhouden. Voor zijn moeder, zijn zus. Omdat hij zelf ook wilde leven.

Toen de condoleance begon en hij ergens in een hoekje zat, verscheen er een even oude man. ‘ Nooit geweten dat ik een broer had’,  glimlachte hij. ‘Oom Sake’, zei ‘Gijs’ en gaf hem een krachtige hand.

Zo zaten de beide mannen gebogen te praten.

Niet veel later verscheen meester Matsier. ‘Hoe lijkt het meneer Kuipers, als we u weer even terug brengen?’ Zwijgend gaf ‘Gijs’ oom Sake een hand.

In de gang stond zijn moeder klaar om hem te groeten. Ze zag bleek en het liefst had hij zijn vermomming afgegooid en was hij met haar mee gegaan. Haar ogen waren vochtig toen ze hem een kus gaf. ‘ Zorg dat je dit overleefd Gijs, wees op je hoede. Onze contacten gaan via meester Matsier’. Toen duwde ze hem richting de deur en maakte rechtsomkeert.

Ze reden richting de school en plotseling waren er weer een aantal overvalwagens die hun voorbij scheurden. Tot hun schrik waren er volop Duitsers bij de school. Gijs zakte in elkaar toen hij aan Geert en Koos dacht.

‘We kunnen je hier niet afleveren Gijs. Eens even nadenken, ik breng je naar mijn zuster. Zij woont aan de bosrand en is alleen. Haar kan ik vertrouwen en dan moeten we afwachten of je weer terug kan’.

Het gevaar lag nog steeds op de loer. Kwam er ooit een eind aan?

Catrien woonde in een klein boeren huisje, dat half verscholen lag in het bos. Een herdershond begon vervaarlijk te grommen toen ze het pad opreden. ‘Stil Leo, goed volk’, zei meester Matsier. Gelukkig gehoorzaamde de hond. Gijs had het niet op honden. Toen hij vier jaar was had hij een akelige ontmoeting gehad met een herdershond en het was net goed afgelopen omdat zijn baasje naar buiten kwam en hem riep. Hij had in zijn broek geplast van angst.

Catrien was een zwijgzaam type, een beetje stug ook. Ze maakte een hoofdbeweging naar boven en ging voor hem uit de trap op. Daarna moest eerst de vlizotrap naar beneden gehaald worden om zo op de zolder te komen. Gelukkig stond er een bed. Gijs keek er varlangend naar; dat was alweer even geleden dat hij had kunnen slapen in een bed. Hij voelde de vermoeidheid opkomen. Het was een zware dag geweest.

Ze lieten hem alleen. Toen hij languit lag kwam het verdriet ineens weer opzetten. Om zijn vader en omdat hij vreesde voor het leven van Koos en Geert. Huilend viel hij uiteindelijk in een diepe slaap.

Meester Matsier liet zich een aantal straten van de school vandaan afzetten door zijn broer. Hij wilde te voet de boel gaan verkennen. Dichterbij gekomen zag hij de overvalwagens staan vlakbij de school. Plotseling verschenen er soldaten die de school uitkwamen. Hij tuurde of hij zag dat er mensen werden afgevoerd, maar zag niets. Een sprankje hoop ontstond in zijn binnenste. Had de schuilplaats geholpen?

Na een kwartier was het weer stil rond de school, maar hij vertrouwde het niet. Ik moet er eerst omheen lopen, dacht hij en zien of er niet iemand is achter gebleven. Ze waren sluw die Moffen.

Tenslotte durfde hij het aan en ging de school binnen. Hij was de Bovenmeester en die kwam polshoogte nemen. Niks bijzonders.

Het was doodstil. Voorzichtig ging hij de trap op en klopte hij het bekend signaal. Het bleef stil. Op de zolder gekomen begon hij zachtjes het Nederlandse Volkslied te neuriën. Ineens ging de kast open en kroop Koos als eerste naar buiten en daarna Geert. Opstaan lukte niet zo verstijfd waren ze, dus bleven ze half rechtop zitten. ‘Wat is er precies gebeurd?’ vroeg Meester Matsier. Koos begon als eerste te vertellen, maar hij stotterde en hakkelde voortdurend.’ Jullie waren nog geen half uur weg toen we plotseling overvalwagens hoorden aankomen. We direct de kast in gegaan. Schreeuwend kwamen ze de trap oprennen. Luid vloekend doorzochten ze de ruimte.’ Geert vulde aan:’ We kregen allebei kramp en bijna hield ik het niet meer van de pijn. Ik heb echt een hand voor mijn mond moeten doen en heb duizend schietgebedjes gedaan dat ik me stil kon houden’.

‘Maar ze zijn onverrichter zaken afgedropen’,  zei Meester Matsier ’daar zullen ze niet blij mee zijn geweest’. ‘Ze vloekten aan één stuk door’, zei Geert, ’het was niet om aan te horen’.

Koos strompelde naar de jerrycan die bijna leeg was en hield hem boven zijn mond:’ ik heb zo’n vreselijke dorst’  zei hij terwijl het water in zijn mond klokte.

‘Maar we vergeten helemaal te vragen of de list is gelukt’, vroeg Geert toen. Er verscheen en brede grijs op het gezicht van Meester Matsier.’ Twee listen zijn gelukt jongens, en dat op één dag. De kast en Oom Adriaan!’ Daarna vertelde hij precies hoe of het gegaan was. Koos en Geert hingen aan zijn lippen.

Stil en zaten ze alle drie te peinzen hoe ze nu verder moesten gaan. De Duitsers zouden terug komen. Die lieten zich niet afschepen.

Hoelang kon deze oorlog nog duren?

Ze waren vanaf dat moment op hun hoede. Bij het minste of geringste geluid doken ze de kast in. Meester Matsier bevoorraadde hen elke dag. Hij had een dambord boven gebracht en zo damden ze de tijd door.

Gijs zat eenzaam op de zolder. Catrien bracht hem eten en drinken en een oud versleten boek. Ze sprak nog geen vijf woorden met hem.

Hij hoopte dat meester Matsier hem kwam vertellen of zijn vrienden nog leefden. Handen wringend stond hij bij tijd en wijle voor het raam.

Ne een paar dagen wachten kon hij het niet langer uithouden. Hij moest en hij zou naar de school. Dan maar ’s nachts.

Toen het ongeveer twee uur was, stond hij op en behoedzaam deed hij de vlizotrap naar beneden. Toen ging hij naar beneden, deed wat brood en 2 appels in zijn jaszak en draaide hij de deur van het slot. Er blafte een hond bij de buren. Snel verliet hij de tuin en dook hij het bos in. De kou trok direct in zijn lijf. Hij trok zijn pet dieper over zijn ogen. De maan scheen helder door de boomtoppen. Het was nog zeker 6 kilometer lopen en hij zette flink de pas erin.

Doordat er sneeuw lag, staken de bomen spookachtig af tegen de witte wereld. Uilen krasten en in de verte blafte een hond. Glibberend zocht Gijs zijn weg.

Uiteindelijk bereikte hij de bewoonde wereld en liet hij het tempo zakken. Spiedend, bukkend, sluipend ging hij van huis naar huis en van heg naar heg. Plotseling hoorde hij in de verte het geluid van een auto. Hij dook achter de heg van een villa en een overvalwagen reed rakelings langs hem. Hij verbleekte. Wie werd er nu weer van zijn bed gelicht?

De school lag er verlaten bij. Voorzichtig sloop hij naderbij en ging hij op zoek naar de plek waar altijd de sleutel zou liggen. Hebbes. Het slot knarste en hij stond stokstijf te wachten of niemand het had gehoord en er misschien ergens een licht zou aanspringen. Doodse stilte. Hij vervolgde zijn weg naar boven en duwde het luik open. Koos sprong op en wilde naar de kast rennen, toen hij de stem van Gijs hoorde. Geert zat ondertussen ook rechtop. ‘Man, wat laat je me schrikken’, zei Koos. Hij stotterde ervan. ‘Sorry’, zei Gijs, ’ik moest weten hoe of het met jullie ging en ik zat daar maar op mijn kamertje te wachten’.

Het werd een latertje. Ze bespraken alles wat er was gebeurd en pas tegen de ochtendgloren vielen ze in slaap.

Het geluid van de overvalwagens was oorverdovend. Ze sprongen op, gristen hun spullen bij elkaar en doken de kast in. De stemmen van de Duitsers bleven echter beneden. ’Mitkommen!’ hoorden ze een Duitser zeggen. ‘Waarom?’ klonk de stem van meester Matsier. Ze stoten elkaar aan voor zover ze daarvoo de mogelijkheid hadden in de krappe ruimte.  ’Ze nemen hem mee’,  kreunde Geert.

De stem van de vrouw van meester Matsier klonk hysterisch: ‘Wat heeft hij gedaan, laat hem los, neem hem niet mee’. Ze krompen in elkaar.

Plotseling was het stil. ‘ Niets doen’,  zei Koos, ‘soms laten ze iemand achter die kijkt wat er gaat gebeuren’.

Na een half uur werd het op de hurken zitten zo pijnlijk dat ze de kast openden. Lopen wilde niet, zo stijf waren ze, dus kropen ze door de ruimte.

Gijs keek de anderen aan en vroeg:’ En nu? Geen eten, niemand die weet dat wij hier zijn’.

‘Ik weet het’,  zei Gijs opeens. ’Liggen mijn verkleedkleren hier nog?’ ‘Ja, hier’,  antwoordde Koos en gaf hem een tas met spullen aan.’ Ik ga naar mijn moeder. Ik ben tenslotte haar zwager. Dan ga ik daar zogenaamd logeren en kan ik wegen zoeken om een ander onderduikadres te vinden’.

‘Maar wie brengt ons dan eten?’, vroeg Geert. ‘Hier’,  zei Gijs, ‘voor ieder van jullie een stuk brood en een appel. Er is nog voldoende water. Ik ga kijken wie ik naar jullie toe kan sturen. Echt ik laat jullie niet in de steek!’

Even later veranderde Gijs weer totaal, compleet met bochel en stok.

Hij verliet de school en schuifelde door de straten. Toen hij voor de deur van zijn eigen huis stond ging er een zucht door hem heen. Pa, dacht hij, ik was even helemaal vergeten dat hij er nu niet meer is. Toen liet hij de klopper vallen.

Na enkele ogenblikken verscheen zijn moeder. Ze keek hem stom verbaasd aan, maar herstelde zich en riep; ‘ Ach Adriaan, wat fijn dat je er bent!’en trok hem schielijk de gang in. Ze vielen elkaar in de armen. ‘Gijs, Gijs’,  zei moeder telkens ’dat je dat durft!’.

In het schijnsel van de petroleumlamp bespraken ze de gebeurtenissen van de laatste tijd. Dat meester Matsier gepakt was gaf een nieuwe draai aan het schuilhouden op de zolder van de school. ‘Die arme man’,  zei Gijs zijn moeder        ’wat zal hij onder druk gezet worden’. Ze sidderde. Beiden vermeden ze het over vader te praten, omdat het verdriet nog zo voelbaar was, maar allebei wilden ze in hun hart niets liever dan zijn naam noemen. Het verduisteringsgordijn sloot de ramen hermetisch af. De Friese staartklok tikte de minuten weg.

‘Ik, wij’, begon Gijs aarzelend te vertellen,  ’hebben hulp nodig’. ‘Wij?’, zei moeder vragend. ‘U zou het eigenlijk niet moeten weten, want wat u niet weet kunt u ook niet vertellen als u onder druk gezet wordt. Maar Koos de Geus en Geert ter Zijl zitten ook op dezelfde schuilplaats’. ‘Aha’, zei moeder. ‘Nu meester Matsier is opgepakt kan niemand ons bevoorraden, want niemand weet dat we er zitten’.

Het bleef een poosje stil. Beiden dachten na.

Na een kopje surrogaatkoffie te hebben gedronken en twee dikke sneden brood te hebben verorbert zei moeder ineens: ‘ Als jij als man van 70 door het leven kan gaan Gijs, waarom zouden Koos en Geert dat dan ook niet doen’. Hij keek haar stom verbaasd aan. Daar had hij nou nooit aan gedacht. ‘Hoe komen we aan die spullen moeder?’

‘Ik ga met de regisseur praten. Die ken ik nog uit de tijd dat ik zelf bij de toneelvereniging zat. Wat hebben we nodig? Een baard, nee twee natuurlijk, verbeterde ze zichzelf’. ‘En twee snorren, twee pruiken. Pakken hebben we wel’

‘Dan krijgt één van de jongens mijn pak en ik trek er één van vader aan’. Ze keken elkaar aan. Het woord was gevallen. Er ging een steek door zijn hart en zijn moeder wendde haar gezicht af zodat hij haar tranen niet zou zien.

‘Ik ga nu direct op pad’, zei zijn moeder even later met een gebroken stem.

’Neem wat rust Gijs, ga slapen, er zullen nog vermoeiende tijden aanbreken. We moeten nadenken waar jullie naar toe kunnen’. ‘Ergens waar we onze oude dag kunnen doorbrengen’, zei Gijs schamper.

Toen hij alleen achter bleef voelde hij hoe moe of hij was. Hij sleepte zich de trap op en dook in zijn eigen bed. Met pruik en sik en snor. Uitgeput.

Twee dagen later werd er aangebeld. Koen de regisseur stond met een koffer op de stoep. Niet veel later nam Gijs alias Adriaan afscheid. Met de stok in de ene hand en de koffer in de andere hand schuifelde hij weer door de straten. ’s Nachts was hij alweer in de school geweest met een kan hete thee, brood, wat aardappelpuree en een rookworst. Wat hadden ze gesmuld! Ze hadden hoofdschuddend gereageerd op het voorstel van zijn moeder om ook als oude heren door het leven te gaan. Maar ze zagen in dat het idee niet zo gek was.

‘Als we nou eens naar Friesland reizen met de trein. Elk in een coupé’, had Koos geopperd. ‘Heb jij contacten daar?’vroeg Gijs.’Zeker’ antwoordde Koos, mijn beppe woont daar. Heel afgelegen.’. ‘Hoe heet het daar?’ vroeg Geert. ‘ Dongeradeel’ antwoordde Koos’ dat ligt vlakbij Dokkum. ‘Nou, dat is een mooi eind vanuit hier’, zei Geert  ‘maar we kunnen het proberen’.

Die nacht lagen ze alle drie te piekeren hoe ze het moesten aanpakken. Het zou heel verkeerd kunnen aflopen. Had het kans van slagen?

De volgende morgen kletterde de regen op het dak en ontstond er een vochtige kou binnen. De stemming was gespannen. Nadat ze wat oud brood hadden weggekauwd, werd het tijd om plannen te maken.

‘We nemen risico’s’, zei Koos, ‘ want Geert en ik hebben geen geldige ausweiss en ik weet ook niet hoe we daaraan moeten komen. Meester Matsier had daar zijn wegen voor, wij niet’. De andere jongens knikten. ‘ Wat levert het ons op als we hier zouden blijven?’, vroeg Gijs toen. Stilte. Ze dachten na over die vraag. ‘Als jij telkens in de straten verschijnt met je oude kloffie en weer naar de school terug keert gaat dat natuurlijk opvallen’ zei Geert. ‘dan moeten we dus iemand vinden die de taak van meester Matsier overneemt’, zei Gijs. ‘Alleen al de gedachte dat we hier in deze muffe, oude, koude, vochtige ruimte moeten blijven, bezorgt me kippenvel’,  zei Koos toen. ‘ Kunnen we zelf iets met onze ausweiss doen?’, vroeg Geert. ‘Nee man’, zei Gijs,  ‘alleen een foto veranderen levert niets op. Je gegevens staan er immers en dan ben je een jonge vent’.

‘Dan zit er niets anders op dan te reizen zonder. Als een oude baas, misschien wat dement of zo’,  zei Gijs. ‘En wellicht is het beter als we niet op dezelfde dag reizen, maar een dag na elkaar’. Ze knikten instemmend. ‘Kun jij iemand de vertrektijden laten uitzoeken op het station Gijs? ’vroeg Koos. ‘Ik zal het me mijn moeder bespreken. Ik ga vanavond laat weer vermomd naar haar toe. Morgenvroeg breng ik jullie eten en heb ik hoop ik antwoord op jouw vraag’.

De volgende dag opperde zijn moeder om het met Koen de regisseur te bespreken. Hij zou ook iemand kunnen vinden die goed kon grimeren, zodat het zo echt mogelijk leek.

Terwijl Gijs de stamppot die zijn moeder had gemaakt naar Koos en Geert bracht, ging zijn moeder met de tram naar de binnenstad van Haarlem. Koen deed open en in zijn atelier besprak ze met hem hoe ze het het beste konden aanpakken. Hij beloofde treinkaartjes te kopen. Het zou een hele onderneming worden. Een gevaarlijke onderneming. Ze hield haar hart vast.

De grimeuse was een tanige oude dame die haar voetsporen in de toneelwereld had verdiend. Ze toog aan het werk en alle drie de jongens veranderden in oude gerimpelde mannen. Toen ze hun pak aanhadden, hun pruik, baard, snor en bril herkende je niets meer van de jonge mannen die zij eerst waren.

Ze oefenden het lopen en praten. Geert en Koos stamelden verward. Ze herhaalden hun zinnen telkens, zoals demente mensen dat doen. Met een lege blik. Voor Geert was dat niet moeilijk. Zijn oma was dement en hij hoefde zich haar maar in te beelden of hij wist exact hoe dat ging.

Gijs had een brief gebracht bij de ouders van Koos en daarin had Koos gevraagd of ze beppe op de hoogte konden brengen dat ze bezoek zou krijgen. Koos zijn vader was afgereisd om het nieuws te brengen. Hij had er twee dagen over gedaan, maar was niet één keer gecontroleerd. Omdat hij slecht ter been was hoefde hij zich niet te melden voor werkzaamheden. In Leeuwarden had hij onderdak gevonden bij een kennis die vlakbij het station woonde. Guus was bereid de drie heren ook een slaapplaats aan te bieden als ze niet verder konden komen dan Leeuwarden. Een hele opluchting.

Heel vroeg vertrok Koos als eerste. Te voet liep hij naar het station. Er stond een gure wind en de sneeuw knisperde onder zijn voeten. Drie paar geitenwollen sokken had hij aan, maar hij had nog steeds koude voeten. Het voelde heel onwennig, maar toen hij uitgescholden werd door een aantal jochies, voelde hij zich driester worden. Vier uur later vertrok Geert. Hij had, net als Gijs, een ‘bochel’ en ook hij werd nageroepen door een stel kinderen.

Gijs zou pas de volgende dag vertrekken, dus ging hij voorzichtig slapen met de grime nog op zijn gezicht. Hij droomde dat de trein maar doorreed en doorreed.

Tenslotte trok hij aan de noodrem en stond hij stil op een brug. Hij schrok wakker. Verwilderd keek hij om zich heen. Toen hij zich realiseerde waar hij was, zakte hij terug onder de dekens.

Koos zat in de boemeltrein helemaal achterin. Hij zat voortdurend in zichzelf te mompelen en liedjes te zingen. Hij merkte dat de mensen daar op reageerden. Ze dachten echt dat hij gek was. Ze keken hem misprijzend aan en probeerden een ander plekje te zoeken dan naast hem. Eigenlijk was hij daar heel blij mee. Op het station van Zwolle zag hij allerlei Duitse soldaten rondlopen. Toen kneep hij hem wel even. In Meppel zag hij dat ze in het voorste treingedeelte instapten. Resoluut stond hij op en ging hij de trein uit.

De venijnige wind deed zijn broekspijpen opbollen. Hij moest zijn hoed stevig vasthouden. In de restauratie was het druk en er was helaas geen stoel vrij. ‘Hé ouwe’,  hoorde hij ineens zeggen’ ‘Je mag hier wel zitten’.  Het was een arbeider die waarschijnlijk op het spoor werkte. Hij tikte zijn pet aan als teken van dank. Zo zat hij voorover gebogen te murmelen. Het duurde enkele uren toen de volgende trein verscheen. Spiedend keek hij rond of er geen Duitsers waren. Gelukkig, niemand te zien. Toen hij de trein in strompelde hoorde hij ineens een krakerige stem zeggen: ‘Zo ouwe baas, waar gaat de reis naar toe?’ Hij schrok op, want het was een bekende stem. Ineens snapte hij hoe of het zat. Het was natuurlijk Geert die later was vertrokken en nu zaten ze in dezelfde trein. Hij gluurde richting Geert en constateerde dat hij er ontspannen bij zat. Even ging hij naast hem zitten en fluisterde toen:’ Is dit wel verstandig Geert dat we samen reizen?’ ‘Zoek jij maar een andere plek, dan reizen we samen en toch apart’. Koos liep met onvaste passen de trein door die heen en weer schommelde.

Hij vond een plek naast een struise oude dame, die met een hoogrode kleur naar buiten zat te staren. Haar handen omklemden een mand.

Toen ze al bijna bij Leeuwarden waren klonk ineens het luchtalarm. De trein stond abrupt stil. De conducteur kwam langs gevolgen om de zware deuren van de trein open te maken, zodat iedereen in de berm kon schuilen. Koos werd allervriendelijkst geholpen door een jonge man. ‘U bent vast al ruim in de zeventig schat ik’,  zei hij.’ Hier gaat u maar tegen deze boom aanzitten’. Bommenwerpers vlogen over de trein heen. Het was een hels kabaal. Hij zat met zijn handen over zijn oren heen te wachten tot de eerste inslag zou komen. Maar ze vlogen verder.

Geert zat aan de andere kant in een boerenschuur, niet ver van de spoorrails. Ook hij werd geholpen.

Na verloop van minstens een half uur werd de reis doorgezet. Ondertussen was het pikdonker geworden. Pas tegen elf uur ’s avond kwamen ze in Leeuwarden aan.

Daar stonden de beide oude heren op het perron en deden alsof ze elkaar niet kenden.

Afzonderlijk van elkaar gingen ze op zoek naar De Binnengracht 5a. Koos liep aan de ene kant van de straat en enkele meters erachter schuifelde Geert.

Guus ontving ze hartelijk en afgemat als ze waren, verdwenen ze naar de zolder waar hun een bed wachtte met heerlijk naar groene zeep ruikende lakens. Niet veel later waren ze beiden in een diepe slaap.

Gijs verbleef die nacht in zijn eigen huis. Het deprimeerde hem. Hij rook de geur van zijn vaders pijptabak, zag de matte blik in de ogen van zijn moeder en voelde zich een opgejaagd dier. Hij lag lang wakker en draaide onrustig rond in zijn bed. Zou deze oorlog nog lang duren? Zag hij zijn moeder ooit terug? Hij maalde en maalde maar. Met een bleke snoet stond  hij de volgende dag vroeg op. Moeder zat al in de keuken waar de kolenkachel een matig vuurtje had. Een bord lammetjespap ging er gelukkig goed in. Ze stopte hem nog wat kandijkoek toe, een appel en het laatste kleingeld dat ze had.

Ze omhelsden elkaar in stilte.

Het was stil op straat en mistig. Haarlem was aan het ontwaken. Op het station liepen veel Duitse soldaten rond. Ze controleerden elke passagier. Gijs was niet bang. Hij had immers een ausweiss. Hij strompelde met een gebogen rug, spuwde na enkele meters op de grond en boerde luid. De soldaat keek langdurig naar zijn papier. Gijs vermeed elk oogcontact, bang dat zijn jonge ogen hem zouden verraden.’Wo geht’s hin, alte?’vroeg hij. ‘ Leeuwarden’,  antwoordde Gijs ’op zoek naar vrouwelijk schoon’. ‘ Ha ha!’ lachte de soldaat.’ Ein bischen zu alt, denke ich, vortgehen!’ Opgelucht klom hij het treinstel in.

Hij dommelde in en ontwaakte toen Zwolle in zicht was. Naast hem kwam een moeder te zitten met een klein meisje op schoot. Het arme kind zag bleek en haar armen staken stakerig uit de mantel met te korte mouwen. Hij voelde de kandijkoek in zijn jaszak en het water liep hem in de mond. Voorzichtig brak hij een stuk af en reikte haar dat aan. De moeder knikte, ten teken dat ze het mocht aannemen. De dankbare blik in de ogen van het meisje zou hem altijd bijblijven.

In Leeuwaren  wemelde het alweer van de Duisters. Hij hoopte toch zo dat hij het gehad had. Weer controle, hij kreeg er wat van.

Toen hij aan de beurt was herkende hij ineens de soldaat die luid had geboerd op de begraafplaats. Hij gruwde, maar hield zich in. Ook nu weer werden zijn papieren uitvoerig bekeken. Hij leunde op zijn stok, het hoofd gebogen. Dat die Duitsers zo laat op de avond nog zin hadden om buiten te zijn, dacht hij. Plotseling begon een hond te blaffen en te grommen. De Duister die hem aan de riem had vloog als ‘t ware over het perron. Alle Duisters keerden zich om en renden er achteraan. Op het moment dat hij wegliep zag hij ineens een goederenwagon waar een deur werd open gedaan en een man naar buiten sprong. Hij rende dwars over het spoor klom de kant op en verdween uit zicht. Het was in een oogwenk gebeurd. Er zijn meer mensen op de vlucht, was zijn eerste gedachte en deze man zag blijkbaar nu zijn kans.

Toen hij aanbelde op de Binnengracht 5a was er maar één ding in zijn gedachten: hadden Geert en Koos het ook gehaald?

Groot was zijn opluchting toen hij van Guus vernam dat ze per paard en wagen die ochtend veilig naar de opoe van Koos waren gebracht.

Hij dook het bed in en sliep dromenloos.

De volgende dag kraaide de haan hem wakker. Even wist hij niet waar hij was. Verward ging hij zitten en ademde opgelucht toen hij besefte dat hij in het huis van Guus was. Beneden gekomen zat Alie, de vrouw van Guus aan de ontbijttafel. Ze glimlachte naar hem. ‘We moeten je een beetje bijwerken vrees ik’, zei ze met een olijk gezicht.’Hier kijk maar eens in de spiegel’.  Ze gaf hem een handspiegel aan en hij moest er zelf om lachen. Zij borstelige grijze wenkrauwen zaten scheef en zo ook zijn snor. Zijn blonde krullen staken alle kanten op en staken vreemd bij al dat grijs. Hij had zijn pruik die nacht afgezet.

Na het ontbijt dat karig, maar smakelijk was, verkleedde hij zich weer en zat alles weer op de goede plek. Toen hij in dezelfde handspiegel keek was hij uiterst tevreden; een kranige oude kerel.

Alie bood hem een dikkere jas aan, die hij gretig accepteerde. Het was die dag bar koud; het vroor 10 graden met oostenwind.

Niet veel later kwam de kar van de schillenboer voorrijden en was het tijd om afscheid te nemen. Hij kreeg een paardendeken aangereikt toen hij op de bok zat. Alie zwaaide hem uit.’Overleven hè Gijs’, zei ze en hij zag tranen in haar ogen.

Het schonkige paard dat voor de kar liep en eruit zag alsof hij al dagen niet had gegeten, liep langzaam. Ze schoten niet erg op. De gure wind ging alsnog dwars door zijn jas heen. De velden zagen wit en de ijspegels hingen aan de dakgoten.

De schillenboer was zwijgzaam en zo hobbelden ze richting Dongeradeel. Gijs overdacht de laatste weken. Wat was er veel gebeurd. Wat was zijn leven en dat van zijn vrienden op de kop gezet. En wat was het lot van meester Matsier? En de toekomst? Hij zuchtte en de schillenboer keek opzij. Gijs glimlachte.’ Ik zou willen weten hoe de toekomst eruit zag’ , zei hij. De schillenboer gromde wat en zei toen:’ Tja, wat de toekomst brenge moge. Ik ben niet zo gelovig, maar nu schiet me dat vers in het hoofd’.

Het werd weer stil.

Tot op het bot verkleumd kwamen ze uiteindelijk aan. Opoe deed de was op de deel en de staljongen was aan het uitmesten. Verkrampt klom Gijs van de wagen. Hij strompelde de deel op en met een veel te hoog stemgeluid voor zijn ‘leeftijd’

zei hij ’Goedemiddag’.  Opoe veegde de haren uit haar gezicht. Haar wangen glommen van het zweet.’Zo zo’, zei ze’ het is dan ik al 40 jaar getrouwd ben met mijn Bertus, anders wist ik het wel’. Ze liep glimlachend voor hem uit naar een andere schuur.’Leve de Koningin’ riep ze toen ze binnen kwamen. Ergens rechts boven ging een luik open en één voor één klommen Koos en Geert naar beneden.

‘Hé ouwe taaie’,  riep Koos en omhelsde Gijs. Het was een enerverend weerzien.

Opoe stond er genietend bij. ‘Ik heb nog wat jonge jenever staan, een restje. Die krijgen jullie vanavond. Nu eerst de schuilplaats weer in, het is nog te licht buiten.

Die avond zaten ze in het flikkerende licht van de kolenkachel bij elkaar. Gewoon weer zoals ze waren. Ieder met zijn eigen gedachten. Toen opoe de jenever in had geschonken in piepkleine glaasjes keken ze elkaar aan.’ We hebben het geflikt!’, zei Geert. ‘We zijn er nog’,  zij Koos. ‘ We gaan ervoor zorgen dat ze ons niet pakken’, zei Gijs tenslotte.

Ze klonken. Op de list die gelukt was en op de vrijheid.

Bron: www.harttothart.nl


Geplaatst door Isabelle Hofstra

Isabelle Hofstra

In 1992 kreeg ik van iemand het boek : ‘Luisteren naar kinderen ‘van Thomas Gordon. Ik was direct gefascineerd door de praktische benadering die hij heeft naar communicatie en omgang met kinderen.

Balans in de relatie ontstaat door de grondtoon van deze methodiek: ik ben belangrijk, jij bent belangrijk...


Bekijk alle artikelen en de volledige beschrijving van Isabelle Hofstra



Laatste artikelen in deze categorie


Lees alle artikelen in deze categorie


Dit artikel delen





Print artikelArtikel als PDF

Tip iemand over dit artikel:


Quote

Success is not the key to happiness. Happiness is the key to success. If you love what you are doing, you will be successful.

Herman Cain











Bij de verkeerde Earth Matters belandt? Klik op onderstaand logo om naar Earth Events te gaan.