Vergeving

Vergeving

Klik op de foto voor een
vermelding van de copyrights

Taal:Taal
Views:10832
Ingevoerd:
Geplaatst door:
Bron:Hart tot hart

Gekoppelde categorieen
Bewustzijn, Inspiratie, Afscheid nemen, Vrouwen

We zitten op de bank elkaar aan te kijken: mijn zusje en ik. Ze houdt mijn hand vast alsof we weer vier jaar zijn. Maar dat zijn we niet, we zijn allebei in de vijftig.

‘Durf jij?’ vraagt ze met een gespannen stem. Ik duik een beetje in elkaar en aarzel een kwart seconde als ik zeg: ‘ Durven? Hier wacht ik even.’ Uh, dat nog wel, maar ik ben bang voor wat we tegen gaan komen. Soms denk ik: we moeten het niet willen, de waarheid boven tafel halen’.

Ze knijpt in mijn hand. Zo zitten we nog een poosje. Pien zucht diep als ze zegt: ‘Maar Marije, het huis moet leeg daar ontkomen we niet aan’ Ze heeft gelijk. Ik zucht ook en weet dat het onvermijdelijk is. Onze moeder is twee weken geleden gestorven, na een lange periode van steeds maar dementer worden. Haar einde was een bevrijding, zowel voor haarzelf als voor ons. We hadden een sterke band met haar en om de beurt gingen we er twee keer in de week naartoe. Nu moeten we het feit onder ogen zien dat haar huis leeggehaald moet worden. Mijn moeder woonde in een soort landhuis, er stroomt adellijk bloed door onze aderen.’ De freule’ werd ze door iedereen genoemd. Het is een oud krakkemikkerig huis, slecht geïsoleerd, met hoeken en gaten. En een zolder.

Zonder enig overleg staan we tegelijk op en glimlachen tegen elkaar. ‘Gek hè’ zegt Pien, ‘ dat hadden we vroeger ook al, dat we beiden tegelijk hetzelfde deden’.

We trekken onze jassen aan, halen een kam door onze haren en lopen naar de auto. Pien rijdt, ik heb een hekel aan autorijden. Tegen de tijd dat we in het bos rijden en het huis in de verte zien liggen, begin ik te draaien op mijn stoel. Mijn buik maakt knorrende geluiden terwijl we net gegeten hebben.

De oprijlaan is overwoekerd door onkruid. Het fluitenkruid geeft een witte waas aan over de groene zoom. Het is bladstil.

We parkeren de auto een beetje achter het huis, onder de grote groene linde. Als we uitstappen overvalt me een enorme weemoed. Ik heb de neiging om in huilen uit te barsten, maar probeer de tranen weg te slikken. Het grint knerpt onder onze schoenen.

Pien loopt met vaste tred naar de voordeur, de sleutel in haar hand. Ik loop er schuchter achteraan.

Het kost moeite om de deur van het slot te krijgen. Geen wonder, want moeder woonde al een jaar niet meer in het huis en dus is het slot een beetje roestig geworden. Hij maakt een piepend geluid als hij uiteindelijk open wil. Er komt ons een muffe geur tegemoet.

‘Wanneer ben jij voor het laatst geweest Marije’, vraagt Pien mij. Ik moet er even over nadenken. ‘ Ik denk een maand terug, of nee, het is misschien al langer geleden. Ja, nu weet ik het weer, vlak voordat ik naar Indonesië ging.’

We lopen samen door de eetkamer, de keuken, de bibliotheek, de muziekkamer en de woonkamer met de prachtige schouw. Ik moet even gaan zitten, want ik voel de misselijkheid opkomen. Dat heb ik altijd als er iets spannends staat te gebeuren.

Op het randje van de bank zie ik in gedachten mezelf als meisje van vier. Pien was toen zeven.

Het was Sinterklaasavond en we zaten bij het warme vuur met een beker chocolademelk . Ik kan precies zien welke jurk ik toen droeg: grijs met rose stippen. Mijn haren in twee staarten hoog op mijn hoofd. Ik kan het vuur horen knetteren en hoor de lage stem van mijn vader.

‘Waar denk je aan?’ vraagt Pien mij. Ik vertel haar wat ik in mijn hoofd voor beelden zie. ‘En wat zie jij dan Pien’,  vraag ik haar. Ze schudt haar hoofd van nee en maak eruit op dat ze er niets over wil zeggen. ‘Toe Pien’,  dring ik aan. Jij ziet toch ook wel wat!”

Ze is opgestaan en loopt de keuken in. Ik hoor haar huilen. Als ik in de keuken kom staat ze met haar hoofd tussen haar handen gebogen over het aanrecht. Ik leg mijn hand op haar rug en voel de schokken. ‘ Pientje toch’,  zeg ik met een zucht. Ik wil het ook wel alleen doen. Het is veel te zwaar voor jou’.

Ze recht haar rug en kijkt me met rood omrande ogen aan: ‘Geen denken aan Marije, dit doen wij samen’. Ze klikt resoluut.

We lopen de trap op. Het dikke tapijt voelt zacht aan en dempt het geluid van onze hakken.

Het is een mooie trap met een sierlijke leuning en hij loopt half rond. De vele deuren in de enorme hal boven gapen ons aan. Eerst gaan we de slaapkamer van onze moeder binnen. Het grote bed is opgemaakt alsof er die nacht nog iemand in zal slapen. De grote rode velours gordijnen zien er stoffig uit. Als ik ze aanraak begint het stof te dwarrelen. Ik kijk door het raam en zie nog net de bumper van de auto. Verder ontwaar ik het theehuis dat achterin de tuin staat. Het domein van mijn moeder. Daar zat ze elke middag met een pot thee te breien en te haken, de poes spinnend om haar heen.

We lopen de andere kamers binnen. Eerst die van mijzelf, er staat nog maar weinig in. Dan de kamer van Pien. De volgende deur slaan we over. Dat is de kamer van Heerko, onze overleden broer. De volgende is van Martin. Ook daar ruikt het muf en de spinraggen zitten tegen de balken aan. Er staat een oude versleten stoel, een boekenkast en een pijl en boog.

De badkamer ziet er troosteloos uit. Het marmer is uitgesleten, de kraan roestig en er zit een barst in het raam. We trekken de deur gauw weer dicht.

‘Het huis van onze jeugd’ zegt Pien. Ik knik.

We kijken elkaar aan als we de trap die naar de zolder leidt zien. Heel langzaam lopen we achter elkaar naar boven. Er zijn twee deuren. De ene, dat weten we, is een soort opslagruimte. Heel vroeger sliep hier de meid. Maar dat hebben wij niet meer meegemaakt.

De andere deur, tja, daar zijn we nooit door geweest. Helmaal nooit. Deze deur hoort bij het verboden gebied.

‘We weten niet eens waar de sleutel is’ zegt Pien en probeert de deurkruk naar beneden te duwen. Maar de deur zit op slot. ‘Ik weet waar de sleutel ligt, tenminste dat denk ik’ zeg ik tegen Pien die me met grote ogen aankijkt. Ik haal mijn schouders op en zeg: ‘ Vlak voor dat moeder echt niets meer wist en opgenomen werd in De Groene Linde heeft ze iets tegen mij gezegd. Later dacht ik: ‘Waarom heeft ze me dit verteld?’ Toen had ik een vermoeden dat het een mogelijke aanwijzing zou zijn. ‘ ‘Vertel!,  nodigt Pien me gespannen uit.

Moeder vertelde me dat in de kelder altijd geweckt werd. Dat onze oma daar haar eigen domein had. Dat je weckflessen voor van alles en nog wat kunt gebruiken nu ze hun functie hebben verloren. Moeder zei letterlijk: Ik bewaar er echt van alles Marije. Je kunt het zo gek niet bedenken. Toen dacht ik aan de sleutel die we nu nodig hebben, maar ik wilde er toen niets mee, dat willen we allemaal toch niet?’ Pien knikt heftig van ja.

Langzaam en in gedachten lopen we naar beneden, de kelder in. De kelder heeft een steile ijzeren trap en ik verwonder me nu dat mijn oude oma die trap zo vaak heeft genomen.

De deur staat op een kier. Het is aardedonker binnen. Ik zoek met mijn hand het lichtknopje en vind gelukkig de schakelaar. Het licht floept aan en we zien de hele rij weckflessen op een houten plak staan. Ze zijn echter allemaal leeg. Ik voel de teleurstelling boven komen.

Ergens achteraan staan een soort theekastje met scheef gezakte deurtjes. Ze gaan luid piepend open. In het kastje staan een hele rij kleinere weckflessen. Wel een stuk of 20.

In de één zitten knopen, de ander doppen, naaiklosjes, elastiekjes, watten, spijkers en ga zo maar door. We pakken één voor één de flessen uit het kastje en zoeken naar de sleutel. De laatste pot zit propvol sleutels en sleuteltjes. ‘Hebbes!’ roept Pien verrukt. Op de gang gooien we de hele pot leeg op een sierlijk tafeltje. De kleinste sleuteltjes halen we eruit, die zijn het vast niet.

Er blijven wel 15 andere sleutels over. We doen ze terug in de pot en klimmen weer de trappen op. Als we boven komen merk ik dat ik moet gaan zitten; de misselijkheid komt weer in alle hevigheid opzetten. ‘ Gaat het?’ vraagt Pien. Ik knik. ‘Ja, maar wacht even. Wat verwachten we nu eigenlijk?’ zeg ik. We staan stil en kijken beide naar de neuzen van onze schoenen. Pien gaat tegen de muur zitten en gebaart me naast haar te komen zitten. ‘Laten we om de beurt aan elkaar vertellen wat we denken dat er te zien is achter deze deur. Wie begint?’ vraag Pien dan. ‘Ik wel “ zeg ik met een klein stemmetje. Ik sluit mijn ogen om beelden uit het verleden op te roepen. Het eerste beeld dat verschijnt is mijn moeder die ons aan tafel vertelt dat vader vermist is. Ik moest erg huilen, want ik was gek op mijn vader. Ik zie Pien helemaal versteend aan de tafel zitten. Heerko is 3 en vraag of hij een toetje mag en Martin, die in de Kinderstoel zit, slaat met een pollepel hard op de tafel en giert het uit van de pret. We eten door, ik zie mezelf andijvie op mijn lepel doen. De lepel bibbert in mijn hand. Pien eet niets. En mijn moeder…wat raar eigenlijk die eet gewoon door! Elke dag vraag ik wanneer mijn vader terug komt en elke dag haalt mijn moeder de schouders op. Ik mis hem zo, dat ik elke avond huilend in slaap val. Naast me hoor ik Pien ook huilen. Soms hartverscheurend.

Nu ik eraan terug denk verbaast het me dat de politie nooit is geweest. Hoe kan dat nou? Dat hoort toch zo bij een verdwijning? Op dat moment begin ik te vertellen aan Pien. Ik denk dat we iets op het spoor komen van onze vader. Ze knikt. ‘Ja, dat moet wel hè”. 

‘Nu jij Pien’, zeg ik tamelijk gebiedend.

Pien doet, net als ik deed, haar ogen dicht. Het blijft een poosje stil. ‘Weet je Marije, weet jij eigenlijk wel dat ze vaak ruzie hadden?’ Dan kijkt ze me aan. Ik schud van nee. Daar heb ik geen herinneringen aan. ‘Ik denk dat ik ongeveer 7 was toen ik op een nacht wakker werd. Het onweerde, dus niemand hoorde mij op de trap. Ik was bang van al die flitslichten en wilde naar onze moeder. Halverwege de trap hoorde ik moeders stem. Ik krijg er nu nog de rillingen van, want ze klonk ijskoud. Ze zei iets van  “ Zeg dat het niet waar is Krijn. Als dat zo is dan zul je daar spijt van krijgen als haren op je hoofd’. Ik ben weer naar boven geslopen herinner ik me en heb me verstopt achter de balustrade. Ik schrok zo erg, vooral van haar stem. Even daarna klapte de voordeur dicht. Nee, dat is niet het moment dat hij echt wegging, want toen was ik 10 en jij 8 “. Ik heb daar een hele poos gezeten herinner ik me. Toen kwam moeder de gang inlopen. Hoe ze er toen uitzag zal ik nooit vergeten. Zo verdrietig, zo..’.Hier stopt Pien en kijkt nadenkend voor zich uit. ‘Iets van verslagen of zo, alsof niets er meer toe deed’.

Ik denk na over het woord ruzie. Vreemd dat ik me daar niks van herinner. ‘ Maar je hebt gelijk Marije, er is nooit politie geweest, dat weet ik zeker. En moeder heb ik nooit verdrietig gezien, echt nooit’, zegt Pien dan.

‘De waarheid’,  hoor ik mezelf zeggen, de waarheid over de verdwijning ligt achter deze deur’. We krimpen allebei een beetje in elkaar. ‘Ik ben bang voor de waarheid’, zeg ik dan. Jij?’vraag ik haar. Ze knikt alleen maar van ja.

Dan pakt Pien voorzichtig een sleutel uit de pot. Ze staat op en probeert hem in het slot te krijgen. Het mislukt. We halen opgelucht adem. Zo proberen we de ene na de andere sleutel. Niks, helemaal geen enkel sleutel doet het. We kijken elkaar aan. Eigenlijk zijn we opgelucht.

We zetten beneden een kopje thee, nadat we het aanrecht met een doekje hebben afgenomen. Ineens zie ik het dak van het theehuis en roep: ‘Maar Pien, als er ergens een sleutel is dan ligt hij toch in het theehuis! Moeders domein!’.  Pien veert overeind. We laten een restje thee staan en gaan naar buiten. Aan de grote sleutelbos zit het sleuteltje voor de deur van het theehuis. Binnen gekomen heerst er een serene rust. Zonlicht valt naar binnen en het verspreidt een aangename warmte. Ook hier is het stoffig en vies. We rommelen wat in het kastje dat er staat, maar vinden niets. Net als we weer teleurgesteld willen vertrekken zie ik de oude zilveren kraantjespot staan. ‘ Vind je het goed Pien als ik die neem? Ik heb hem altijd zo mooi gevonden’,  vraag ik schuchter. ‘Oh tuurlijk’,  zegt Pien’ ik heb er niets mee!’.

Voorzichtig pak ik hem op en doe het deksel eraf. Ik schrik, want op de bodem lig een sleutel. Ik weet instinctief dat dit dé sleutel is en laat bijna de kraantjespot vallen.

Ik laat de sleutel aan Pien zien. We kijken ernaar alsof het een magisch iets is en dat is het eigenlijk ook wel.

We sluipen de trap op en steken de sleutel in het slot. Raak, hij gaat open.

We schuifelen naar binnen. Pien grijpt mijn hand vast.

Het is er donker, maar we vinden het lichtknopje. Als de kamer even later baadt in het licht zien we een grote dekenkist staan. Verder is er niets te zien. We proberen de dekenkist open te krijgen en dat lukt meteen. Eenmaal open zien we een grote stapel mannenkleren liggen , een hoed, een pet, een portomonnaie, fotoalbums, zelfs schoenen.

Ik merk dat mijn ademhaling richting hyperventilatie gaat. Daar heb ik vaker last van. Pien moet zich stevig vasthouden aan de dekenkist.’ Vaders kleren’,  fluistert ze. Als we voorzichtig wat kleren optillen zien we een vergeelde enveloppe liggen met onze vier namen erop: Pien, Marije, Heerko, Martin.

We zoeken een plekje op de grond en zo zitten we met een belangrijk document in onze handen. Dat voelen we direct.

Pien scheurt de enveloppe open en we zien de brief. Met duidelijk moeders handschrift.

 

Lieve kinderen,

Als jullie deze brief in handen krijgen ben ik er niet meer. Het is me altijd gelukt jullie weg te houden van deze plek. Een onheilsplek. Ik verwacht niet dat jullie het mij ooit zullen vergeven

voor wat wat ik gedaan heb.

Ik heb jullie vader omgebracht. Het valt mij zwaar om dit te zeggen. Ik ben er niet trots op en toch heb ik het bewust gedaan.

Vader heeft zelf ook iemand vermoord en dat heeft voor mij grote gevolgen gehad.

Toen jullie vader en ik verkering hadden heb ik Sybren leren kennen op mijn werk. Een collega dus. We werden verliefd, al was ik dat helemaal niet van plan, want ik had jullie vader. Ik heb het eerlijk opgebiecht. Hij reageerde er goed op en vond dat ik maar de tijd moest nemen om na te denken met welke man ik verder wilde. Ik koos voor Sybren, hoe moeilijk ik dat ook vond.

Toen ik op een avond een afspraak met hem had kwam hij niet opdagen. Ik maakte mij vreselijk ongerust. Hij woonde in een huis met een hospita en zij vertelde me dat Sybren met de Noorderzon vertrokken was. Ik was verbijsterd. Toen ze me zijn kamer liet zien lag daar een brief. Hij kon niet met mij verder. Ik kan jullie niet vertellen hoe groot mijn verdriet was. Ik voelde de grond onder mij verdwijnen.

Jullie vader Krijn heeft mij opgevangen. Dat waardeerde ik erg. Zo zijn we weer bij elkaar gekomen. Jullie werden geboren en het leven leek goed. Ik kon Sybren niet vergeten, maar leerde te leven met wat ik had.

Na de geboorte van Martin veranderde jullie vader. Ik weet niet waarom, maar hij werd humeurig en had opvliegende buien. We hadden vaak woorden en ruzie en dan schold hij mij uit.

Op een avond ging het weer mis. Hij pakte mij hard bij mijn polsen en zei dat hij het nooit had kunnen verkroppen dat ik voor Sybren had gekozen. ‘ Maar die komt nooit weerom’ zei hij.

De manier waarop hij het zei bezorgde mij rillingen. Ik vroeg hem hoef hij dat wist. ‘ Omdat hij niet meer bestaat!’ zei hij. Op dat moment liet hij mijn polsen los en tartte ik hem door hem recht op de man af te vragen of hij hem had omgebracht. Hij lachte luid en zei: ‘ Goed geraden wijfie, goed geraden’

Dat was het moment dat ik een paar dagen bij tante Anne ben geweest met jullie in Kijkduin. Ik heb mijn ogen uit mijn kop gejankt.

Toen is er een plan in mij geboren. Ik kon niet anders. De woede, de afkeer werd te groot. Ik voelde me zó verraden en de pijn aan mijn hart knaagde me vanbinnen stuk.

 Ik heb hem langzaam vergiftigd, met rattengif. Elke dag heb ik het in zijn eten gestopt, met kleine beetjes.. Hij veranderde in een broodmagere, ziekelijke man en snapte zelf niet hoe of het kon. Aan de huisarts heb ik op een gegeven moment slaappillen gevraagd. Die heb ik opgespaard en hem op een avond gegeven. Dat kon zijn lijf niet meer aan. Hier op deze kamer waar hij vanaf zijn bekentenis sliep, is hij gestorven. Ik heb hem in de auto gelegd wat niet zo zwaar was, want hij woog bijna niets meer. ’s Nachts heb ik hem In een tapijt met aan alle kanten grote stenen in het kanaal gegooid Iik wist dat er een sterke stroming stond. Zo gleed hij weg uit mijn leven. Godzijdank is hij nooit gevonden tot op de dag van vandaag. Hij had de brief geschreven die op Sybrands kamer lag.

Ik heb jullie je vader ontnomen. Dat heb ik oprecht moeilijk gevonden.

Jullie hoeven het mij niet te vergeven. Zo is mijn leven verlopen. Ik heb er mee leren leven.

Het zal schokkend zijn voor jullie om de waarheid te horen. Maar het zal aan de andere kant de mist rond zijn verdwijning optrekken.

Ik heb een afscheidsbrief geschreven en die naar de politie gebracht. Tante Machteld heeft hem voor mij gepost in Indonesië, toen ze weer voorgoed terug ging. Zij wist niet wat ze deed en de politie geloofde het verhaal dat hij een nieuw leven was begonnen. Vanaf dat moment kon mijn leven weer beginnen. De cirkel was rond.

Ik vraag geen begrip, maar ik vind het belangrijk dat jullie weten wat er gebeurd is.

 

Jullie liefhebbende moeder.

 

We zitten verbijsterd voor ons uit te staren. Ik heb buikpijn en voel me misselijker dan ooit.

Pien ziet bleek als ik haar zijdelings aankijk. Het lukt niet om beweging in onze spieren te krijgen. Zo zitten we als verdoofd.

Na verloop van tijd begint Pien aanstalten te maken om te gaan staan. De misselijkheid ebt wat weg bij mij. We helpen elkaar met opstaan. We spreken geen woord.

We dalen de trap af, in stilte en met ieder van ons zijn eigen gedachten en verdriet.

In de keuken staan onze halflege kopjes thee. We spoelen ze om.

Ik reik Pien haar jas aan. Ze knikt alsof ze zeggen wil: oké, we zijn klaar hier.

Als we de voordeur op slot draaien heb ik het gevoel dat we ons leven hebben afgesloten.

Met een krakerige stem zegt Pien na verloop van tijd: ´ ik bel morgen de opkoper. Goed?’

Ik knik en probeer woorden te vinden na wat we ontdekt hebben over ons leven. Ik schraap mijn keel als ik zeg: ‘ Ik heb het gevoel dat ik iets moet gaan zeggen dat ik moeder begreep. Heb jij dat ook?’ Pien zucht. ‘Wat koop ik voor begrip ‘ zegt ze dan gelaten. Ze schreef ook dat ze dacht dat we haar niet zouden kunnen vergeven. Kun jij dat Marije?’ is de wedervraag van Pien. Ik haal mijn schouders op.

We zijn weer stil. ‘ Zo ingewikkeld kan het leven zijn’,  zeg ik dan.

We rijden weg. Ik kijk aan het eind van de oprijlaan nog eenmaal achterom. Ons verleden.

Als ik me omdraai zeg ik tegen Pien: ‘Zullen we maar gewoon vooruit blijven kijken’. Ze knikt.

We drinken een glas rode wijn als we in mijn huis zijn. ‘Op vader’ , zegt Pien.’Op moeder’, zeg ik. En 'op de waarheid'.


Geplaatst door Isabelle Hofstra

Isabelle Hofstra

In 1992 kreeg ik van iemand het boek : ‘Luisteren naar kinderen ‘van Thomas Gordon. Ik was direct gefascineerd door de praktische benadering die hij heeft naar communicatie en omgang met kinderen.

Balans in de relatie ontstaat door de grondtoon van deze methodiek: ik ben belangrijk, jij bent belangrijk...


Bekijk alle artikelen en de volledige beschrijving van Isabelle Hofstra



Laatste artikelen in deze categorie


Lees alle artikelen in deze categorie


Dit artikel delen





Print artikelArtikel als PDF

Tip iemand over dit artikel:


Quote

Een radicale innerlijke transformatie en het overgaan naar een nieuw bewustzijnsniveau zouden wel eens onze enige echte hoop kunnen zijn voor de oplossing van de huidige wereldcrisis, die teweeg is gebracht door de dominantie van het westerse mechanistische paradigma.

Stanislav Grof, Amerikaans psycholoog











Bij de verkeerde Earth Matters belandt? Klik op onderstaand logo om naar Earth Events te gaan.