Dubbelspoor
| Taal: | ![]() |
| Views: | 1077 |
| Ingevoerd: | 16-11-2011 |
| Geplaatst door: | Isabelle Hofstra |
| Bron: | Hart tot hart |
Gekoppelde categorieen
Spiritualiteit, Afscheid nemen, Literatuur, Boeken
Als ik het vliegtuig in alle vroegte verlaat, word ik overvallen door een frisse bries die mijn rok doet opwaaien. Er liggen grote plassen op de weg, dus het zal wel geregend hebben. Avignon; de stad die mij op één of andere manier altijd weer doet glimlachen.
Ik wenk een taxi en prepareer me op mijn Frans, want het is telkens weer een omschakeling. De rit gaat rechtstreeks naar de universiteit waar ik drie keer per jaar gastlessen geef in Kunstgeschiedenis. Dit is alweer mijn vierde jaar. De chauffeur babbelt over het ophanden zijnde festival dat veel kunstliefhebbers naar deze plek brengt. Als ik de taxi verlaat realiseer ik me dat ik te vroeg ben. Maar geen nood, ik ga bij mijn stamkroeg op La Place des Horloges een kopje koffie drinken.
Het terras wordt zojuist in gereedheid gebracht door Felippe, die me enthousiast begroet met vier kussen. Op het moment dat ik een stoel pak om te gaan zitten hoor ik een kreet achter me;.’ Madame, le siege est mouillé! ‘ ( de stoel is nat) Ik kijk achterom om te zien wie zo attent is om mij te waarschuwen en ik zie een dame glimlachend zwaaien. Ik zwaai terug: ‘Merci, Madame”. Felippe komt snel en gedienstig aanlopen met een doekje, ondertussen zich verontschuldigend dat hij deze stoel had overgeslagen. Een waterig zonnetje verschijnt aan de hemel en de temperatuur begint langzaam op te lopen. Ik geniet van mijn kopje koffie en de gedachte dat ik hier weer enkele weken mag rondlopen.
Om 9.45 uur besluit ik naar de universiteit te lopen om daar nog wat hand-outs na te kijken. Goed voorbereid zijn, dat is wat ik wil. Ik hou er niet van om te improviseren. Ik ben nog maar net op weg als ik Constance tegen kom. Na de gebruikelijke begroeting nodigt ze me uit om te komen eten die avond en ik verheug me daar direct op. Constance is een vaste factor voor mij in Avignon. Ze is getrouwd met één van de docenten waar ik veel contact mee heb en vanaf het moment dat ik gevraagd werd gastlessen te geven, heeft ze zich over mij ontfermd. Een warm mens, die Constance, met het hart op de juiste plaats.
‘Je ziet er goed uit’, constateert ze en knijpt even in mijn hand. ‘Ik sta te trappelen’, zeg ik, ‘om hier weer te zijn, ik weet niet wat het is. Ik heb het gevoel dat ik thuiskom, Constance’. Ze glimlacht. We kussen elkaar ‘a bientot’ en ik vervolg mijn weg. Ik zie op mijn horloge dat ik voort moet maken. De ochtend verloopt uitstekend en ik geniet van de aandacht die deze leergierige studenten hebben voor de Kunst. Ik ben nog jong, 28 en dat maakt dat de kloof tussen hen en mij kleiner is dan bij vele andere docenten. Het is ondertussen warm geworden en na de lessen zoek ik een verkoelend plekje achter het Palais du Pape, voordat ik mijn logeeradres ga opzoeken.
Alain woont als kunstschilder in een prachtig oud huis midden in Avignon. Eigenlijk zit het pand vol kunstzinnige mensen en na al die jaren ken ik ze bijna allemaal. De prachtige tuin is een groene oase in de oude stad en nodigt uit voor tot groots opgezette maaltijden, iets waar zowel de Fransen als de Italianen dol op zijn. Ik woon zelf in de buurt bij Genua en eten is voor mij een ceremonie. Ik ben ermee opgegroeid vanaf mijn jongste jeugd. Volgens mijn moeder kon ik slecht stilzitten en heb ik het echt moeten leren. Soms was het nodig dat ze me met een sjaal aan de stoel vastbond! Ik heb een heerlijke jeugd gehad, al vind ik het jammer dat ik enigst kind ben. Mijn vele neefjes en nichtjes maken een heleboel goed. Ik zie ze veel, want familiecontacten, daar zijn wij Italianen goed in.
Als ik aan mijn moeder denk gaat er een steek door mijn hart. Vorig jaar is ze zeer onverwacht gestorven, terwijl ze een sterke vrouw was, althans in mijn ogen. Het heeft me veel tranen gekost om haar los te laten. Ik vind het nog steeds moeilijk om mijn vader zo eenzaam te zien, zo ontredderd soms. Ik heb met beiden een sterke band en probeer er nu voor mijn vader te zijn waar mogelijk. Een zucht gaat door me heen, want ik ben ik ben veel afwezig ,doordat ik op meerdere plekken doceer. Hij zal het alleen moeten rooien, het is niet anders.
Alain weet dat ik kom en ontvangt mij als vanouds in zijn chaotische appartement. De wanden zijn bedekt met enorme schilderijen en er hangt een scherpe terpentinelucht. ‘Valerie, ma petite !’ , zo verwelkomt hij mij. Boven heeft hij nog een klein kamertje dat niet volstaat. Er is zelfs nog met een piepklein balkonnetje bij. Omdat ik zo vaak kom, laat ik altijd wel wat achter; een kam, een handdoek, een vest, een boek. Ik pak mijn koffertje uit en hang mijn rokken en jurken aan de paar hangertjes die er zijn. Ook zet ik de foto van mijn ouders op het tafeltje; dat is een soort ritueel, pas dan kan ik naar beneden Even later zitten we gezellig in de tuin op een oude bank een glas wijn te drinken. ‘Eet je mee?’, vraagt Alain ,’maar ik schud van nee en leg uit dat Constance mij al heeft uitgenodigd’. ‘Je bent nog lang niet van me af, want ik ben er vier weken dus neem ik het aanbod graag aan om één dezer dagen aan te schuiven’. ‘D’accord, ma petite’, antwoordt Alain.
Het is acht uur als ik aanbel bij Constance en Pierre. Ik voel me thuis bij hen en ze geven me de kans om helemaal te ontspannen. Hun tuin is eindeloos en weelderig en Constance verwent me alsof ik drie ben! Heerlijk gewoon. We babbelen over hun kinderen, de faculteit, het festival en als het donker wordt steekt Constance de kaarsen aan en flikkert het licht door de tuin. Als ik naar huis ga, loopt Pierre een stukje met me mee. We hebben altijd veel gespreksstof omdat we beiden zo geboeid zijn door de Kunst.
Vandaag is het markt en als ik ergens van geniet dat is het van de markt in Avignon. Ik weet niet precies wat het is, het is wellicht de geur, de bonte verzameling mensen, in combinatie met de strakblauwe lucht. Ik word er vrolijk van. Mijn lessen starten vandaag pas om 15.00 uur, dus ik slenter op mijn gemak langs de vele stalletjes, koop wat olijven en Provençaalse kruiden. Op het moment dat ik een tas van Afrikaans leer bekijk en overweeg of ik hem zal kopen, zie ik ineens de dame staan die mij gisteren redde van een natte stoel. Of vergis ik me? Als we oogcontact krijgen herkent ze me en zwaait naar mij. ‘Bonjour, madame, ik herken u van gistermorgen!’ zo start ik de conversatie. ‘Kom’, zegt ze, ‘ga mee naar mij eigen stand, dan laat ik je mijn schilderijen zien!’ ‘Jij bent toch Valerie? Ik woon aan de achterzijde van het gebouw waar Alain woont’. Dat verbaast me echt, want ik ken daar toch echt de meeste mensen. Ze kijkt me aan met een scheef lachje en zegt: ‘Je vraagt je af waarom je me niet kent, toch? Ik knik. ‘Ik leid een teruggetrokken leven, tenminste vaak, dat ligt aan mijn gemoedsrust. Nu ben ik stabieler sinds een tijdje en dan laat ik me meer zien’. Ik moet zoveel openheid verwerken, dat is beslist niet Frans en evenmin Italiaans. ‘Maar hoe kent u mij dan?’, vraag ik haar. ‘Alain is zo dol op je dat hij je naam vaak noemt. Vorig jaar heb ik je zien lopen en later begreep ik dat jij het was’. Voor ik het weet heeft ze me meegetroond. Mijn mond valt open als ik haar schilderijen onder ogen krijg. Wauw, dat zijn ontegenzeggelijk prachtige voorstellingen! Ik spreek mijn bewondering uit en ze haalt haar schouders op. ’Ach, de één kan dit,de ander dat en elke gek heeft z’n gebrek!’ Ze schatert als ze die laatste zin uitspreekt.
Zelf is ze extravagant gekleed, opzichtig, kleurrijk. Het past bij haar. Het is in het geheel niet mijn smaak. Ik hou van aardetinten, van niet al te opzichtig. Ik wil niet opvallen, ik wil een beetje opgaan in de massa, daar voel ik me goed bij. Ineens steekt ze haar hand uit ’Marcia’, zo heet ik, ‘aangenaam’. Vrolijk babbelend vertelt ze over de aard van de schilderijen, de invalshoek die ze gebruikt heeft en waarom ze de kleuren zo heeft gekozen. Het is overduidelijk het Franse landschap. De Camarque, de Provence, de Pyreneeën, ik herken de gebieden stuk voor stuk.
Het veld met de zonnebloemen raakt me het meest; zoveel prachtig gele bloemen en zoveel nuances in vorm en kleur. Ik durf haast niet te vragen wat het kost, maar doe toch een stuntelige poging: ‘Marcia, die gele….bloemen, mooi hoor, zeker niet uh…goedkoop’. Hè hè dat is eruit. Ze lacht haar aanstekelijke lach; ‘750,- euro’s ‘zegt ze en kijkt me aan. Ik schrik er toch van, ondanks dat ik best thuis ben in prijzen van schilderijen. ‘Ik hou het in mijn achterhoofd, ‘zeg ik’, want dat heb ik nu niet, maar misschien later’. Marcia knikt instemmend. ‘Ik ga’, zeg ik even later, ‘want ik wil nog wat nakijken’. Marcia komt achter haar stand vandaan en kust me vier keer op mijn wangen. ‘Ik zie je vast binnenkort wel, zegt ze, in Avignon kom je elkaar voortdurend tegen!’
Het is niet lang na deze ontmoeting met Marcia dat ik Saul tegen kom. Hij staat vaak op het plein als levend standbeeld. Vandaag is hij bezig zijn spullen klaar te maken en dat ziet er zo bijzonder uit, dat ik besluit een praatje met hem te maken. Hij is verlegen en maakt absoluut geen oogcontact. Zijn stem is zacht en ik moet soms moeite doen om hem te verstaan. Hij komt uit Parijs, studeert economie en dit is zijn bijverdienste. Hij is bezig zich te verkleden als nar van de koning. Ik wacht tot hij op zijn krukje staat en ik ben de eerste die geld in zijn bakje gooit. Hij buigt zwierig voor mij met een ”Merci, madame” In zijn outfit heeft hij meer lef en hij vraagt hoelang of ik blijf en waar ik logeer. Hij kent het pand, zegt hij. ’Mag ik je opzoeken?’, vraagt hij dan. Ik stem toe. Ik wuif naar hem en loop richting universiteit. Het gebouw is maar matig te ventileren en het is bloedheet vandaag. De studenten zijn onrustig en kunnen nauwelijks geconcentreerd bezig zijn. Ach, ik snap het wel. ‘’Het lijkt me een goed plan dat we bij de rivier een schaduwplek opzoeken en daar kunnen jullie in tweetallen verder werken’, zo luidt mijn voorstel. Het wordt met gejuich beantwoord en we verlaten met flesjes water en tassen het pand.
Ik kan het nog anderhalf uur rekken en dan zie ik dat er niets meer wordt opgenomen. De studenten vertrekken en ik ga lekker in het water mijn vermoeide voeten verkoelen.
Languit liggend in het gras gaan mijn gedachten naar mijn geboortedorp en het begin van mijn grote passie: Kunst. Ik heb het niet van mijn ouders, nee, ze zijn wel muzikale mensen. Mijn vader speelt cello en mijn moeder speelde prachtig dwarsfluit. Jammer dat ik dat niet heb geërfd. Ik zal misschien vijf jaar zijn geweest toen er op het dorpsplein een schilder zijn ezel begon op te zetten en ik er nieuwsgierig bij kwam staan. Mijn moeder kwam onmiddellijk naar buiten, want ze hield me altijd nauwlettend in de gaten. Het was een oudere man met een prachtige hoed en hij sprak Spaans. In een oogwenk had hij mij geportretteerd; zo mooi, zo treffend, zei vond mijn moeder. Ik wilde het dolgraag hebben en smeekte mijn moeder het te kopen. Uiteindelijk overlegde ze het met mijn vader. Vanaf die tijd hangt mijn portret boven de schoorsteenmantel. Dat was niet het enige dat hij schilderde; de ondergaande zon, het dorpplein met de prachtige lianen. Elke dag, en dat waren er die zomer vele, stond ik naast hem en keek ik hoe hij vorderde.
Ik bracht hem drinken en hij leerde mij wat Spaanse woordjes. Op en dag was hij weg en ik voelde me zo verdrietig. Mijn moeder lachte om mijn tranen en mijn vader keek na verloop van tijd boos; nu is het wel klaar, zeiden zijn ogen. Ik was denk ik, acht of negen, toen ik lid mocht worden van de bibliotheek. Daar zag ik boeken over Kunst staan en ik nam ze één voor één mee naar huis. Mijn ouders begrepen het niet, maar gelukkig lieten ze het zo.
Op de Middelbare school bleek dat ik talent had voor het werken met klei; ik begon beelden te maken, maar ook vazen en schalen. Het meeste plezier had ik daarna als ik ze ging beschilderen. Dat werd mijn passie en zo was het niet verwonderlijk dat ik kunstgeschiedenis ging studeren in Florence. Het werd de tijd van mijn leven.
Ik doezel wat en schrik als de kerktoren 18.00 uur slaat. Als ik bij het huis van Alain kom, wordt de tuin klaargemaakt voor een barbecue. Alain staat met een schort aan het vlees te marineren. De hitte begint langzaam wat af te nemen. Zo tegen achten verschijnen uit alle hoeken en gaten de kunstenaars met flessen wijn en schalen voedsel. De overheerlijke geuren doen me watertanden. Ik raak in gesprek met Sophie die voornamelijk houtskool portretten maakt en vaak te vinden is op de markt waar ze toeristen tekent. Ze heeft jicht en dat maakt dat ze maar weinig productief is de laatste tijd; jammer voor haar, ze is altijd zo gedreven. Maar haar opgewekte natuur zorgt ervoor dat ze bezigheden zoekt die minder pijnlijk zijn. Dénis is degene die olieverfschilderijen maakt en prachtig kan vertellen over licht en kleur. Hij lijkt een beetje op de Spanjaard uit mijn jeugd en ik zit graag bij hem om zijn verhalen van dichtbij te horen. Dan hebben we nog Maurice. De man van het relaxte leven; een schilderij verkopen betekent een maandje kunnen eten en dan verkoopt hij opnieuw en kan weer even voort. Babette komt uit Duitsland, maar ze spreekt zo langzamerhand uitstekend Frans. Zij is druk bezig met vilten en daarna naait ze er kleren van die ze verkoopt in een boetiek.
Als ik rondkijk zie ik een bont gezelschap en ik voel me er volkomen thuis. Het wordt donker en de wijn stroomt rijkelijk door onze aderen, de sfeer verandert, wordt losser. Maurice speelt op zijn viool en het is net of ik een beetje zweef, zo vrij voel ik me, zo op mijn gemak.
Niet lang erna verdwijnen één voor één de gasten naar hun appartement. Ik geniet nog even na, drink een laatste wijntje met Sophie.’Niet echt goed voor mijn jicht al die drank ‘, zegt ze net iets te luidruchtig. Ik rek me uit en kondig mijn vertrek aan. De maan verlicht de tuin; Avignon slaapt.
Na een week staat ineens Saul voor me met een bos rozen! Ik neem ze met een blos op mijn wangen in ontvangst! We slenteren door de straten, lunchen ergens en kletsen over van alles en nog wat. Ik vind hem aardig, puur. Maar heb ik tijd voor de liefde? Ik vraag het me af. Laat ik het geef het maar een kans geven, dat beloof ik mezelf.
Zo vliegt er weer een week voorbij. Als ik op zaterdag de boodschappen in huis haal, omdat ik beloofd heb te zullen koken voor de hele groep, zie ik ineens Marcia zitten op een terrasje. Ze ziet mij ook en zwaait enthousiast. Na onze begroeting vraag ik haar waarom ze er niet was, bij de barbecue. ‘Ik hou niet zo van grote groepen, voel me altijd wat ongemakkelijk’, zegt ze. We babbelen wat en ze vertelt dat ze twee schilderijen heeft verkocht. ’Niet de zonnebloemen hoor, die bewaar ik voor jou, als je dat tenminste wilt’. Ik voel me warm worden van binnen. ‘Wat geweldig Marcia, maar hoelang blijft dat van kracht?’ ze haalt haar schouders op ’Een half jaar, is dat voldoende?’ Ik knik en reken uit wat ik maandelijks aan de kant moet leggen. Opeens staat ze op en pakt ze mijn hand. ’Wil je mijn huis zien?’ Ik reageer verheugt en realiseer me dat Alain vertelde dat ze bijna niemand bij haar binnen laat. Wat een eer! Inderdaad ligt haar huisje achter het appartement van de kunstenaars. Het ligt verscholen in het groen. Als we binnenkomen loop ik als vanzelfsprekend naar de kamer.
Boven de schoorsteenmantel hangt een kolossaal portret van een moeder met haar baby. Het kleintje kijkt over haar schouder en je ziet de kleine zwarte oogjes en een stukje wipneus. Het is zo adembenemend mooi, dat ik mijn hand voor mijn mond sla. Marcia heeft ondertussen een wijntje ingeschonken en komt met 2 glazen de kamer binnen lopen. Ik kijk haar vragend aan. Ze ontwijkt mijn blik als ze zegt: ‘Dat schilderij heet: de oorsprong van de liefde, meer wil ik er niet over kwijt’. Ik heb eigenlijk nog meer vragen in petto, maar het is duidelijk dat ze er niets over gaat zeggen. Jammer.
Ik heb een gezellige middag en bij het afscheid beloof ik terug te komen. Ik aarzel als ik mijn verzoek aan haar voorleg: ‘Ik zou zo graag beter willen leren schilderen, Marcia, kan ik bij jou in de leer? ’Ze klapt in haar handen en haar ogen stralen: ‘Mais oui!’ ‘Het zal mijn volgende periode worden, Marcia, over ongeveer 2 maanden’. Ze wuift dat het prima is. Zeer in mijn sas loop ik terug naar het huis aan de Rue Machandise.
Ik heb er altijd moeite mee dat het moment komt dat ik terug ga. Zo vreemd eigenlijk, want ik verlang naar mijn land, mijn dorp, mijn vader! Eenmaal in het vliegtuig is het gevoel ook weer weg.
In de weken dat ik thuis ben en op mijn eigen universiteit doceer, raken de herinneringen weer wat op de achtergrond. Ik bezoek mijn familie en vrienden en ga met mijn vader naar een concert. Saul heeft beloofd me te mailen en dat doet hij. Ons contact is open en ik laat de deur van mijn hart steeds een beetje verder opengaan. Ik prepareer me op de gastlessen die ik in Rome ga verzorgen. Na Avignon is dat de stad waar ik me het meest thuis voel. De architectuur is van zo’n grote omvang dat ik bij elk bezoek nog weer nieuwe dingen zie en mijn enthousiasme naar de studenten toe is soms nauwelijks te stoppen. Ik kan er ademloos rondlopen met hen en zo enthousiasmeer ik ze. Althans, dat hoop ik.
Op een dinsdag, zo’n week of zes nadat ik ben terug gekeerd uit Avignon, help ik mijn vader mee zijn studeerkamer wat te ordenen; dat is niet iets wat hij van nature doet, zal ik maar zeggen en er staan grote stapels krantenknipsels te wachten om uitgezocht te worden. Mijn moeder deed dat soort dingen altijd en ondanks dat mijn vader riep dat ze niet mocht weggooien bleven er altijd veel kleinere stapels achter. We zetten een mooie cd op van Maria Callas en ik zing luidkeels mee. Mijn vader veegt het zweet van zijn voorhoofd; het is die dag uitzonderlijk warm. ‘Ga toch even liggen, papa,’ adviseer ik hem’ dan ben je straks weer fit! ’Hij bromt wat terug, maar even later is hij verdwenen.
Ik besluit wat ruimte in zijn boekenkast te maken, zodat er uitgezochte stapels knipsels in kunnen. Dat betekent dat ik boeken moet gaan verplaatsen en ik klim op een stoel, om zo bij de bovenste plank te kunnen. Achter de boeken zie ik een doosje staan, een gouden doosje met een slot erop. Het sleuteltje zit erin. Iets in me zegt dat ik het misschien beter kan laten staan en een ander stemmetje maant me juist aan om erin te kijken. Mijn nieuwsgierigheid wint het. Voorzichtig pak ik het doosje en ik draai het sleuteltje om. In het doosje zitten wat documenten en een klein fotootje. Als ik het bekijk, val ik bijna van mijn stoel. Ik kan me nog net vast grijpen aan de leuning. Het hart bonst me in de keel. Op de foto staat een piepklein baby’tje met grote zwarte oogjes. Ze wordt gedragen door een vrouw waarvan je maar een klein gedeelte van haar hoofd ziet. Ik draai het om: in krulletters staat geschreven:Valerie en haar moeder; 17 mei 1978. Ik krijg het zo koud dat ik in een hoekje van de kamer kruip en een kussen tegen me aandruk. Ik staar naar de foto. Dat ben ik, maar……………………dat is zeker niet mijn moeder…………………………..en dat baby’tje heb ik eerder gezien! Verdoofd blijf ik zitten en mijn gedachten jagen door mijn hoofd. Ineens staat mijn vader in de kamer. Hij ziet mij zitten met het doosje in mijn hand.
We zijn allebei stil en kijken elkaar aan. Ik kan niets zeggen, hij slaat de handen voor zijn gezicht. Met een gebroken stem vertelt hij me dat ik niet hun dochter ben, maar geboren ben uit een moeder van 16 die niet wist wie de vader was en mij zou baren in een Klooster. Ze was Française en was eerst naar haar tante in Genua gebracht. In dat klooster was mijn moeder werkzaam als gastdame. Direct na de bevalling had ze mij meegenomen, want deze moeder heeft ervoor getekend om haar kind af te staan. Ik werd hun zo gewenste kind, dat maar niet kwam.’ We hadden elkaar beloofd dat we je het zouden vertellen, maar toen je ouder werd en geen idee had dat wij niet je echte ouders zijn, hebben we het laten rusten’. We waren zo gelukkig, jij was zo van ons’. Het wordt doodstil en beiden horen we alleen de klok tikken. Behalve de klok tikt mijn hart beduidend meer slagen. Ik durf haast niet naar mijn vader te kijken, want ik voel zijn spijt dat ik zo moet ontdekken wie ik eigenlijk ben.
Met een verstikte stem zeg ik tegen hem: ‘Ik weet wie mijn moeder is, ik weet nu waarom ik mij soms zo Frans voel, papa, want ik heb haar ontmoet, mijn moeder’. Mijn vader kijkt mij verbijsterd aan. ’Hoe kan dat nou, wij weten niet waar ze heen is gegaan, we weten niets van haar, alleen haar naam’.
Ik maak het doosje open en haal het vergeelde document eruit. Dochter van…………….Marcia Lefevre, vader onbekend, staat er. Ik kan niet bewegen, voel me versteend. In een oogwenk is mijn leven zo veranderd en toch ben ik nog steeds dezelfde. De puzzelstukjes vallen op hun plek: mijn belangstelling voor Kunst, mijn gevoel voor Frankrijk en speciaal Avignon, mijn eigen creativiteit. Maar ook….waarom ik Marcia moest ontmoeten, zo uit het niets. De tranen beginnen te stromen als ik aan mijn moeder denk, mijn niet echte moeder waarvan ik zoveel heb gehouden. Ze heeft haar geheim meegenomen in haar graf en heeft wellicht gehoopt dat ik er nooit achter zou komen.
Ik stort me in mijn vaders armen die nu ook openlijk huilt. Iets wat hij nooit doet. Zo huilen we samen. Na verloop van minuten staan we op. Ik ondersteun hem hierbij. ‘Ik ben blij dat ik het weet, papa, maar jij bent en blijft mijn vader en mama blijft mijn moeder.’ ‘Ga je het haar vertellen Valerie, dat mag ik toch aannemen?’, vraagt mijn vader zacht. Ik hoef er niet lang over na te denken: ‘Ja, dat ga ik doen, papa ,maar ik wil nadenken over hoe en wanneer. Ik moet het eerst zelf verwerken’.
Ik heb het gevoel dat ik soms van een afstandje naar mezelf zit te kijken en dan zie ik een vrouw die in twee werelden leeft. Die vrouw ben ik. Het is niet te geloven hoe in een oogwenk je leven zó kan veranderen en toch ook weer niet. Heb ik het ooit gevoeld dat er iets was? Ik denk me suf, en soms meen ik dat er in mij iets is die het wist en op andere momenten, als ik denk aan mijn heerlijke jeugd, de band met mijn ouders, dan weet ik weer zeker dat ik het nooit iets heb vermoed.
Mijn vader is erg timide en voelt zich schuldig. Ik probeer hem van het tegendeel te overtuigen. We praten er gelukkig samen veel over, dat is wat ik met mijn moeder niet meer kan. Ik bekijk mijn babyboek en andere fotoboeken van mijn jeugd. Ik blader en blader maar, misschien om een aanwijzing te vinden. Die is er niet. Vanaf de tweede dag ben ik hier, mijn wieg stond klaar, want mijn ouders wisten het al maanden. Maar de familie dan? Mijn vader zucht: ‘Die wisten het natuurlijk, Valerie, dat kon niet anders, je moeder was immers niet zwanger’. Dat doet pijn, ik voel het zwaar worden in mijn hart. Iedereen wist het…………..behalve ik. Het vraagt de nodige energie om alles te verwerken en een plekje te geven. Ik kan nog niet naar Avignon, het is te vroeg. Saul vraagt herhaaldelijk wanneer ik kom; of naar Parijs, of naar Avignon. Maar ik heb tijd nodig en eerst is er mijn werk in Rome.
Na veertien dagen reis ik af met een hoofd vol gedachten en een zwaar hart. Gelukkig blijf ik maar tien dagen in Rome Ik vind het moeilijk mijn vader achter te laten, die arme man wiens leven ook zo overhoop is gehaald.
Als ik weer terug kom besluit ik een maandje te wachten om naar Avignon te gaan. Daarna is het vakantie en heb ik meer tijd. Misschien kan mijn vader geheel of gedeeltelijk meegaan en kan hij uiteindelijk Marcia ook ontmoeten. Met de beste wil van de wereld kan ik haar geen moeder noemen en het is de vraag of ik mezelf dat ooit toesta.
Ik land weer in Avignon met mijn vader naast me. Hij heeft besloten voor tien dagen een hotel te gaan te boeken. Ik weet nog niet hoe het zal gaan. Ik heb met Marcia de afspraak dat ik schilderles bij haar neem en dat is mijn uitgangspunt.
Het is de eerste keer dat mijn vader hier is en ik vind het leuk hem rond te leiden en de mooie plekjes aan te wijzen. Ik zie dat hij geniet. Ik ga op zoek naar Saul en hij is erg blij met mijn initiatief! Onze band wordt steeds hechter.
Op de derde dag zie ik Marcia staan op de markt in haar stand. Ik slik en keer me rigoureus om. ‘Wat is er, vraagt mijn vader?’ Ik had het kunnen verwachten, want in Avignon kom je elkaar tegen, zo zei ze zelf. ‘Ik zie Marcia, papa, ze heeft een stand op de markt waar ze haar schilderijen verkoopt’. Het is even stil als mijn vader zegt: ‘Ga er maar gewoon heen, lieverd, stel me maar voor, ik kan het wel aan’. Kan ik dat ook?, vraag ik mezelf af. Dan heb ik mezelf weer onder controle. ’Kom!’, zeg ik tegen mijn vader, we gaan’
Marcia is blij me te zien, ze straalt gewoon: ‘Chérie, dat heeft lang geduurd,’ zegt ze onomwonden, ‘de zonnebloemen staan op je te wachten!’ Ze kijkt vragend naar de man die naast me staat. ‘Marcia, ik wil je graag voorstellen aan mijn vader!’
Ze geven elkaar een hand en Marcia zegt lachend: “U hebt een bijzondere dochter, ik ben zo blij dat ik haar heb leren kennen!’ Het voelt zo wiebelig vanbinnen als ze dit zegt, dus ik babbel er vlot overheen door te zeggen: ‘En wanneer beginnen de lessen?”. ‘Morgen?’, zegt Marcia, ik heb de tijd”. We nemen afscheid met de belofte dat ik morgenmiddag zal starten. ‘Nu eerst een kop koffie, ‘zegt mijn vader en hij heeft gelijk. Eerst maar even pauze.
De dagen erna schilder ik met hart en ziel. Marcia is verrukt van mijn stijl en geeft aanvullende lessen over kleur, licht en schaduw. Na afloop drinken we een wijntje en babbelen we over van alles en nog wat. ‘Je hebt onmiskenbaar talent’, zegt Marcia de derde dag. Van wie heb je dat?’ Ik aarzel als ik zeg: “Van mijn moeder’. Ze knikt en wacht eigenlijk op uitleg, maar ik zwijg. We zitten samen op de oude schommelbank; hij piept en kraakt een beetje als we heen en weer gaan.
‘Ik heb een vraag, Marcia’, zeg ik de vierde dag’ en ik kijk haar verwachtingsvol aan. ‘Nou, stel je vraag,’ glimlacht ze. ‘Wat is het mooiste schilderij dat je gemaakt hebt?’ Ze zit in gedachten verzonken en we schommelen zachtjes heen en weer. ‘Er springt er één uit’, zegt ze dan en ik voel een zekere afweer opkomen bij haar. Maar ik moet het weten. ‘Welke?’ vraag ik resoluut. ‘Het schilderij boven de schoorsteenmantel’, zegt ze dan. ‘Waarom?’ vraag ik haar terwijl ik haar recht aankijk. Ze zucht: ‘Dat is een oud verhaal, Valerie, wat gepaard gaat met zoveel pijn en die wil ik niet voelen’. ‘Zullen we het over wat anders hebben?’. Ik beef als ik zachtjes tegen haar zeg: ‘Nee, Marcia, daar moet ik het met je over hebben’.
Het is minuten lang stil, we zijn allebei naar binnen gekeerd en zij weet niet dat we aan hetzelfde denken.
‘Toen ik 16 was, Valerie, was ik zwanger van een vriend, Raoul heet hij. Hij was al 20. Ik mocht onder geen beding de baby houden, dus ben ik naar een tante in Italië gebracht en de laatste maanden zat ik in een klooster. Daar is ze geboren, mij dochtertje. Slechts één middag heb ik van haar kunnen genieten. Ik ontmoette een mevrouw die daar werkte en ik vertrouwde haar. Ze wilde dolgraag zelf moeder worden, maar dat bleek onmogelijk. Aan haar heb ik haar afgestaan. Eerst ging het wel, ik was nog zo jong. Maar gaandeweg mijn leven is het ondraaglijk voor me geworden. Vijf jaar geleden heb ik haar geschilderd, zoals ik me haar herinner. Ik hoopte dat de pijn daarmee minder zou worden, maar het verlangen gaat niet weg’.
Ik huil, want het raakt me zo diep. Tranen druppen op mij gebloemde rok. Ik veeg ze af met de rug van mijn hand. Omdat ik de andere kant op kijk heeft Marcia niets in de gaten. Ik weet niet hoe of ik verder moet gaan, mijn keel zit dicht gesnoerd. ‘Wat is er Valerie, waarom ben je zo stil?’, vraagt Marcia. Als ik haar aankijk ziet ze mijn behuilde gezicht. Ze schrikt en grijpt mijn hand: ‘Valerie, trek het je niet aan, het is mijn verdriet!”. Ik sla mijn handen voor mijn ogen, mijn stem beeft als ik zeg: ‘Marcia, die baby, dat ben ik! Ik zal nooit vergeten hoe groot haar ogen worden op dat moment, hoe ze ineen zakt en mij minutenlang aanstaart. De wereld staat stil.
Marcia is bleek geworden en zit verdoofd naast me. Met een dunne gebroken stem vraagt ze zachtjes: ‘Hoe weet je dat, Valerie?’ Dan vertel ik het verhaal van het doosje en de schok die het gegeven heeft dat ik niet het kind ben van mijn ouders. ‘Maar’, zo zeg ik, ‘ik herkende die baby direct, door jouw schilderij en toen was alles duidelijk’. Ze pakt mijn hand met zoveel liefde beet, dat ik weer begin te huilen.
‘Dat ik je terug gevonden heb, dat is echt een wonder, Valerie. Ik kan het niet vatten, ik kan er niet bij’. Ze trilt. Ik voelde me direct zo verbonden met je toen ik je ontmoette en verheugde me zo om je terug te zien! Wat een wonderlijke wending in mijn leven!’ Zo zitten we hand in hand, elk met onze eigen gedachten en gevoelens. Ik voel me rustig worden vanbinnen, vredig.
‘Ik heb mijn leven niet met je gedeeld, Marcia, maar dat wil ik wel vanaf nu, als het jouw wens ook is. Mijn moeder is mijn moeder, zij heeft mij groot gebracht met heel veel liefde en toewijding, maar jij bent mijn oorsprong.’ ‘De oorsprong van de liefde’, fluistert Marcia, ik heb mijn schilderij niet voor niets zo genoemd ‘.
Als ik weg ga omhelst ze me. Zo staan we samen enkele minuten met de armen om elkaar heen. ‘Ik denk dat ik vannacht ga schilderen, Valerie, ik moet emoties altijd weg schilderen. Kom je morgen met je vader bij mij eten?, ik wil hem zo graag ontmoeten en bedanken voor alles wat hij jou gebracht heeft. Ik ben hem diep dankbaar.’ Als ik naar het huis van Alain loop, zingt mijn hart.
Mijn vader is erg aangedaan als hij de volgende ochtend het verhaal hoort. We kopen bloemen en wijn als we naar Marcia’s huis lopen. We horen dat er een cd opstaat als we dichterbij het huis komen. Marcia ziet bleek, maar haar ogen stralen. Ze kust ons beiden en klemt zich even aan mijn vader vast. Een innig tafereel. We laten de maaltijd ons goed smaken en wisselen zoveel uit dat het me duizelt. Er valt regelmatig een traan, maar ook een lach. Marcia haar ogen stralen. Ik blijf maar naar haar kijken met nieuwe ogen.
Na de maaltijd staat Marcia op en komt aangelopen met een groot pakket; een schilderij, dat is duidelijk., ik krijg het van haar. Als ik het papier er afscheur komen de zonnebloemen te voorschijn. In een hoekje onderaan staat: voor mijn dochter, Valerie en in de andere hoek: van Marcia, haar moeder.
Ik ben er stil van. We staan er alle drie wat ongemakkelijk bij. Ik omhels haar met de woorden: ‘Vanaf nu zijn we familie, mijn leven heeft een ontroerende wending gekregen. Ik ben blij met jou, Marcia! Ik ga nu vanuit mijn oorsprong leven!’ Na een week vliegen we terug, mijn vader en ik. Ik ben in de wolken
Auteur: Isabelle Hofstra
Geplaatst door Isabelle Hofstra

In 1992 kreeg ik van iemand het boek : ‘Luisteren naar kinderen ‘van Thomas Gordon. Ik was direct gefascineerd door de praktische benadering die hij heeft naar communicatie en omgang met kinderen.
Balans in de relatie ontstaat door de grondtoon van deze methodiek: ik ben belangrijk, jij bent belangrijk...
Bekijk alle artikelen en de volledige beschrijving van Isabelle Hofstra
Orongo Producten
Laatste artikelen in deze categorie
Lees alle artikelen in deze categorie
Quote
"The world we are experiencing today is the result of our collective consciousness, and if we want a new world, each of us must start taking responsibility for helping create it."
Rosemary Fillmore Rhea
Blijvend actueel
- Als u dit ene ingrediënt weglaat gaat uw gezondheid met sprongen omhoog
- Deprogrammeer jezelf (indrukwekkende video)
- Arthus-Bertrand: Home
- Ik geloof niet in UFO's
- Spirulina-The Amazing Algae
- Yes, occupy de wereld! En dan?
- Twaalf niet duurzame, onhoudbare toestanden die spoedig tot een eind zullen komen op onze planeet
- De ongewenste resultaten van energiezuinige lampen
Meest gelezen
- Ceremonie om jezelf te vergeven - Don Ramon
- Eindeloos Bewustzijn - de film: 7 nov NED 2
- Karel van Huffelen in Peru overleden, Caroline zwaargewond
- Masaru Emoto: Een oproep voor gebed op 31 maart 2011 om 12:00 uur!
- 'Van kanker naar bijna doodervaring naar leven' interview met Anita Moorjani (Nederlands)
- Infinity: The Ultimate Trip... een film over leven na de dood
- Anita Moorjani’s bijna-doodervaring verdrijft in vier dagen haar terminale lymfklierkanker!
- Indiase goeroe Sai Baba overleden

Bij de verkeerde Earth Matters belandt? Klik op onderstaand logo om naar Earth Events te gaan.












