Blindelings

Kamp Amersfoort

Klik op de foto voor een
vermelding van de copyrights

Taal:Taal
Views:6205
Ingevoerd:
Geplaatst door:
Bron:Hart tot hart

Gekoppelde categorieen
Bewustzijn, Oorlog, Literatuur

Op het moment dat ze de klopper op de deur hoorde vallen, wist ze dat ze haar kwamen halen. Er kwam een grote gelatenheid over haar. Ze deed haar schort af, haalde het elastiekje uit haar paardenstaart en liep naar de hal. Alvorens ze de deur open deed, pakte ze de zwarte omslagdoek en drapeerde hem nauwgezet om haar schouders. In de kapotte spiegel zag ze haar gezicht dat bleek was en zag ze de kringen onder haar ogen. Ze zuchtte. De klopper ging opnieuw en ze deed vlug open, bang dat haar moeder het in de bedstee zou horen en haar zou aanmanen om open te doen.

De twee mannen die voor de deur stonden waren van de politie, ze kende ze echter niet. ‘Juffrouw van der Vaart?’, zei de langste van de twee en stak zijn hand uit.‘Mijn naam is Wierenga, hoofdagent van het politiebureau van Vierhouten.’ Ze knikte en gaf hem aarzelend haar hand. De tweede mompelde ook een naam die ze niet verstond. Ze reikte ook hem de hand. ‘We willen graag met u praten op het Hoofdbureau, juffrouw van der Vaart’, zei de tweede, en we verzoeken u mee te gaan.’ ‘Ik heet Sabine‘,zei ze. Ze antwoordden geen van tweeën  ‘Ik ben bereid met u mee te gaan, maar kan mijn oude zieke moeder niet alleen laten’. ‘De huisdokter is gewaarschuwd en kan elk ogenblik verschijnen’, zei Wierenga. Als u de achterdeur even open laat kan hij zo naar binnen, maakt u zich daarover geen zorgen.” Hij heeft me gewaarschuwd, schoot door haar heen en nu is het zover. Ze zuchtte diep,  keek om zich heen, greep haar tas, knikte in de richting van de kamer waar haar moeder lag en liep naar binnen om haar te groeten. ‘Ik ben zo terug’, zei ze. Haar moeder lag te dutten, maar opende haar ogen een beetje toe ze zei: ‘Sabine, vertel ze de waarheid, je hebt niets te verliezen’. Haar wenkbrauwen gingen omhoog van verbazing. ’Hoe weet u wat ik ga doen?, moeder’. ‘Ik ben niet doof, lieve kind en zeker niet gek, ik weet dat de politie er is’. Ze glimlachte, gaf haar moeder een kus en vervoegde zich bij de heren die in de gang stonden te wachten.

De politiewagen stond klaar en de chauffeur tikte zijn pet aan toen hij haar herkende. Het was Paulus Breker van de Molenstraat, hij was even oud als haar vader met wie hij nog samen in de Kerkenraad had gezeten. Ze nam plaats op de achterbank en de man met de naam die ze niet had verstaan ging  naast haar zitten, terwijl Wierenga voorin plaats nam. Ze voelde zich ongemakkelijk, wist zich niet goed een houding te geven en ze vermeed oogcontact met Wierenga’s compagnon. Ze staarde uit het kleine raampje naar buiten. Zo hobbelden ze richting het dorp. Hun huis lag aan een zandweg en er lagen grote plassen, door de regen die een paar dagen geleden met bakken naar beneden was gekomen. Nu echter kwam de zon voortdurend tevoorschijn achter grote bloemkoolwolken. Ze zag de bomen, die alweer volop hun bladerdek hadden terug gekregen. Ze verschoof wat, pakte haar zakdoek en veegde nattigheid van haar neus en verfrommelde ze de zakdoek in haar hand.

Haar gedachten gingen terug naar de afgelopen periode. Het einde van de oorlog, de golf van vreugde die door het dorp was gegaan en de diepe rouw die ze om zich heen gevoeld had. De oorlog had z’n sporen achter gelaten. Ze hadden geïsoleerd geleefd op de kleine boerderij, maar ondanks weinig informatie voelde ze dat de impact van deze vijf jaren enorm waren. Zoveel verliezen, zoveel verdriet en dat alleen nog maar in dit gebied, in dit kleine dorp. Ook haar vader was gestorven, maar dat had weinig met de oorlog te maken. Hij had al lang last van zijn hart en de oorlog had er geen goed aan gedaan, maar hij was uiteindelijk aan een zwak hart bezweken. Ze vond hem in zijn bed op een zondagachtend. Ze was wakker geworden, nadat ze opnieuw in bed was gestapt na het melken om 6 uur, met een ongewoon gevoel. Toen ze op haar wekker keek was het 8 uur 50. Ze schoot omhoog, want als altijd vergezelde ze haar vader  naar de kerk. Niet omdat ze dat graag wilde, maar de druk was groot nu haar moeder te ziek was om mee te gaan. Waarom hoorde ze geen gestommel? Ze rende naar beneden, de ijskoude gang door, snel haar peignoir aantrekkend, naar de slaapkamer waar haar vader nu nog alleen sliep. Haar moeder lag in de bedstee in de kamer waar de kolenkachel ’s nachts bleef branden.

Toen ze binnenkwam sloeg ze onmiddellijk haar hand voor de mond. De aanblik was verschrikkelijk; haar vader lag half op het bed en half op de grond. De bovenkant van zijn lichaam was blauw. Ze kokhalsde en deinsde achteruit. Toen ze in de gang kwam hervond ze zichzelf en liep in een langzaam tempo terug naar de kamer. Ze liet zich verwarmen door de kachel die in de kamer brandde en voelde zich leeg en verdoofd. ‘Ben jij dat  Sabine?’, zei haar moeder met een klaaglijke stem. ‘Ja, moeder”, zei ze zo gewoon mogelijk terug, “ik kom u helpen.’ Ze besloot nog even haar mond te houden en de dokter te verzoeken het haar moeder te vertellen, dat leek haar verstandiger. Het was altijd een hele toer om moeder op de po stoel te krijgen al woog ze nog geen 100 pond meer. Maar het lukte wonderwel. ‘Ik haal de kom water en stook de kachel wat hoger en u hebt vast trek in een kopje thee’’. Zo rustig als ik kan blijven, dacht ze verbaasd bij zichzelf. Ik moet zo snel mogelijk naar dokter, was haar tweede gedachte. Ze had haar moeder een bordje pap en kopje thee gegeven en haar gezicht en handen gewassen. Moeder had geklaagd dat ze het te summier vond, maar Sabine wist haar zover te krijgen dat ze hiermee volstond. Ze vroeg gelukkig niet naar vader, omdat ze gewend was dat hij deze dag naar de kerk ging. Sabine had haar fietst gepakt die helemaal achterin de schuur stond, verborgen onder een stapel kleren, omdat de meeste fietsen met goede banden geronseld werden door de Duitsers. Zo snel als mogelijk fietste ze door het bos naar het huis van de huisdokter. Hij woonde aan de rand van het dorp, samen met zijn huishoudster. Nadat ze had aangebeld werd de deur open gedaan en kon ze hortend en stotend haar verhaal doen.

‘Dokter Vriesema is bij een patiënt, ik verwacht hem zo terug en zal zeggen dat hij zo spoedig mogelijk bij jullie komt. ‘’Ach kind toch’, zei ze’, ‘wat naar zo in deze omstandigheden.’  Ineens drupten er tranen op haar stuur toen ze terug reed. Wat een toestand dacht ze.  Wat moet ik beginnen met een zieke moeder, met een boerderij die draaiende gehouden moet worden, wat moet ik in hemelsnaam doen? Ze trapte verwoed door, hopend dat het antwoord haar als vanzelf te binnen zou schieten.

‘We zijn er’, hoorde ze Wierenga zeggen en plotsklaps was ze weer in het hier en nu . Toen ze de auto verliet hoorde ze de paarden briesen  in de wei verderop en zag ze het hoofdbureau. ‘Gaat u voor’, zei de andere man hoffelijk. Ze behandelen me met respect, dacht ze en verwonderde zich erover, gezien het feit waarvoor ze haar hadden opgehaald. Het was een drukte van jewelste in het gebouw dat vol stond met dozen en schilderijen. Wisseling van de wacht, schoot het door haar heen; de Duitsers eruit, de Nederlandse politie erin. De kamer waar ze werd binnen geleid, was al net zo wanordelijk. Kale plekken op de wanden verrieden de plekken waar schilderijen hadden gehangen, vermoedelijk van Hitler. Op één van die plaatsen hing pontificaal een portret van Koningin Wilhelmina, het hing echter scheef. De mannen lieten Sabine alleen en terwijl ze zo zat op een oude stoel overdacht ze wat er was gebeurd, dat laatste jaar van de oorlog.

Nadat haar vader was overleden was het werk dat ze moest doen omvangrijk. Naast de zorg voor haar moeder was er de zorg voor de boerderij. Ze hadden wat koeien, schapen, geiten, een enorme moestuin en een kleine akker waar voornamelijk aardappelen groeiden. Dan was er nog het huishouden. Ze had Julius gevraagd om te komen helpen. Hij was een neef, met een licht verstandelijke handicap. Ze was er van overtuigd dat hij de handen uit de mouwen kon steken en dat had hij gedaan! Hij werd verantwoordelijk voor het melken, het uitmesten van de stal en het voeren van het vee. De enige keer dat zij de koeien molk was op zondag, dan had Julius vrij. Soms kwam tante Anne, zijn moeder mee, die dan meewarig stond te kijken naar haar schoonzuster met haar door artritis gebochelde rug en handen. Sabine moest haar vragen thee in te schenken, duwde haar een bordje pap in de handen om te voeren en constateerde elk bezoek weer dat ze er niets aan had als tante langs kwam. Ze was moe, erg moe en als ze op zeldzame momenten zat dommelde ze in, om vervolgens wakker te schrikken als moeder begon te roepen.

Het was een maandag in april, zo tegen het eind van de middag dat ze de klopper op de deur hoorde. Vreemd, dacht ze, de meeste mensen kwamen achterom en bijna nooit hoefde ze de voordeur te openen. Ze had geen tijd meer om haar haren te fatsoeneren, haar schort kon ze nog net aftrekken en onder de kapstok gooien. Toen ze open deed stond haar hart stil. In vol ornaat stond er een Duitser op de stoep. Hij klakte zijn laarzen tegen elkaar, stelde zich voor als Hehr Oberstormführer Weissen bach en vertelde haar onomwonden dat hij haar huis ging gebruiken als onderkomen, samen met zijn chauffeur Wilfred. Ineens zag ze zijn auto verderop staan en ontwaarde een figuur achter het stuur. Hij duwde haar aan de kant, zette zijn pet af, liep naar buiten en wenkte zijn chauffeur. Ze was zo verbaasd dat ze vergat te praten. Maar ze herstelde zich en vroeg hem beleefd waar hij gedacht had te willen slapen en voor hoelang. Hij ontweek haar blik en mompelde dat ze maar zelf moest bepalen waar ze sliepen en voor hoelang. Toen keek hij haar aan van onder zijn zwarte wenkbrauwen en zei: ‘Zolang als de oorlog duurt, ‘juffrouw…………………?’ Ze besloot formeel te antwoorden, wat dacht hij wel.’ Juffrouw van der Vaart’, zei ze lichtelijk geaffecteerd.’ Ach zo’, antwoordde hij.

Hij nam zijn intrek in hun boerderij en tot haar spijt moest ze hem de slaapkamer van haar ouders geven, er zat niets anders op. Wilfred belandde achterin de stal waar een piepklein kamertje was. Ze had direct verteld van haar zieke moeder en dat ze onder geen beding wilde dat haar moeder wist dat er Duitsers in huis waren. Hij knikte en vroeg wat haar moeder mankeerde. ‘Ernstige reuma en een zwak hart ‘, antwoordde ze. Ook vroeg hij naar haar vader. Toen ze het vertelde knikte hij, stond op en verdween richting zijn slaapkamer. Even later hoorde ze de Duitse radio die hij zeker meegenomen had. Bombastische taal klonk richting de keuken en daarna een krijgslied. Ze walgde ervan.

In het begin zag ze hem zelden. ’s Morgens vertrok hij al vroeg en meestal vlak voor Spertijd arriveerde hij weer op de boerderij. Met afgrijzen hoorde ze zijn stampende laarzen en zag ze zijn uniformjas aan de kapstok hangen. Na verloop van enkele weken kon ze er niet langer tegen, kroop de zolder op om te kijken of de oude staande kapstok er nog was. Gelukkig was hij er en ze zette hem op zijn slaapkamer. Zodoende verdween de jas uit de gang en tevens zijn pet. Wat een verademing. Ze warmde, als hij terug kwam zijn prak op en zorgde dat ze zelf had gegeten. Ze vermeed hem angstvallig. Hij was vormelijk, hoffelijk en buitensporig karig met woorden. Wilfred at maar af en toe mee, ze had geen idee waar hij zijn kostje vandaan haalde en het interesseerde haar eigenlijk ook niet. Als hij er was, neuriede hij vaak allerlei Duitse deuntjes. Na verloop van tijd sliep hij niet meer op de boerderij en kwam hij zijn meerdere alleen halen en brengen. Soms kwam Weissenbach dagenlang niet opdagen en kon ze wat ontspannen, maar vooral ook haar gedachten ordenen. Op het moment dat ze zijn laarzen weer hoorde stampen verstrakte ze. Eigenlijk kwam het door die stem binnenin haar, die steeds maar hetzelfde herhaalde: ‘fout, fout!’ Had ze echter een keus, kon ze het veranderen? Ze maalde maar en maalde maar en ze kwam er niet uit. ‘Sabine, wat is dat voor lawaai in de hal?’, vroeg haar moeder op een dag. Ze zei dat het de postbode was en vroeg Weissenbach of hij zijn laarzen uit wilde trekken bij binnenkomst. ‘Vanwege het geluid en de modder’, maar nog het meest vanwege haar moeder, maar dat zei ze niet. Hij deed wat ze gevraagd had en daar was ze blij om.

De dagen werden langer, de bladeren verschenen aan de bomen, de narcissen gaven kleur aan de berm, maar het werken en verzorgen werd haast ondraaglijk zwaar. Ze zwoegde van de vroege ochtend tot de late avond. Op zondagmorgen zat ze te slapen onder een koe en één keer viel ze gewoon van de melkkruk. Toen ze op een dag in de spiegel keek schrok ze van de holle ogen die haar aankeken, de bleke teint en de jukbeenderen die uitstaken. Ben ik dat?, vroeg ze zich af.  Het enige positieve, als je dat zo mocht noemen, van een Duitser in huis, was het feit dat er genoeg eten was. Bijna elke week bracht de chauffeur een tas met voedsel binnen  en zette die op de keukentafel. Soms spek, aardappelen, meel, suiker en thee. De andere keer eieren, wortelen, roggebrood en chocolade.Voor het grootste gedeelte eigenbelang dacht ze schamper, maar enfin, zo kon ze haar moeder en zichzelf blijven voeden.

Moest ze hem dankbaar zijn? Wat deed hij eigenlijk? Hoe kwam hij aan zoveel voedsel, kon ze dat wel aannemen? Maar wat als ze het weigerde?  Het waren vragen die rondspookten in haar hoofd en die ze vervolgens weer verdrong. Moeder was de laatste tijd onrustig en hoestte veel. Ze maakte zich zorgen. Ze moest er vaker uit voor haar moeder omdat ze zo hoestte en gaf gaf haar telkens kleine slokjes water. De dokter kwam, beklopte, beluisterde en schudde zijn hoofd. ‘Een beginnende bronchitis’, zei hij. ‘Vooral de kachel flink opstoken.’ Hij schreef wat middelen voor die ze moest gaan halen in het dorp. De dokter pakte haar even bij de schouder en zei: ‘Ik zal kijken of er een verpleegster is die u kan helpen, maar ja, in de ze barre tijden zijn ze vooral nodig in de ziekenhuizen.’ U hoort van mij.’ Ze kreeg echter geen hulp aangeboden en dat verwonderde haar niet, gezien het feit dat er meer hulp nodig was voor oorlogsslachtoffers. Ze zwoegde verder en probeerde dat te verdoezelen voor haar moeder.

‘Redt u het juffrouw Van der Vaart?’, vroeg hij, toen ze elkaar die avond tegen kwamen in de gang. Ze schudde haar hoofd , wendde zich af en liep naar de keuken. Ze leunde tegen het aanrecht en huilde bittere tranen. Zo vond de Obertstormführer haar even later. ‘Was ist löss?,’ hoorde ze hem vragen’.’ Niks bijzonders,’ zei ze expres in het Nederlands, ze vertikte het om Duits tegen hem te praten  en veegde resoluut de tranen af. ‘Sie weinen ja’, antwoordde hij. Ze wilde door de deur vluchten, maar hij ging er voor staan. ‘Nah’, zei hij, ‘ich warte….’.

De deur ging open en ze herinnerde zich plotseling waar ze was. Ze ging rechtop zitten en zag dat er zowel een man als een vrouw binnen waren gekomen. De vrouw had papieren in haar hand en ging zitten achter een bureau waar een oude typemachine stond. De man nam plaats tegenover haar. Zonder zich voor te stellen begon hij haar vragen te stellen, achterover leunend in de stoel. Met zijn zakdoek was hij zijn bril aan het schoonmaken. De typemachine maakte staccato geluiden. ‘U hebt samen gewoond met een Duitse officier Juffrouw van der Vaart’,  zo begon hij. Ze slikte.  ’Ik kreeg inkwartiering van een Duitse officier, bedoelt u zeker’. Hij stopte met poetsen en ging verder. ’Ik zei wat ik bedoel, Juffrouw Van der Vaart’.Ze besloot hem recht aan te kijken en zijn neerbuigende oogopslag te negeren.  ‘Op een dag stond er een officier op mijn stoep die mij geen keuze liet en vanaf dat moment in ons huis woonde, of ik dat nou prettig vond of niet’. ‘En’, hier onderbrak hij haar, keek haar aan en zei: ‘Vond u dat prettig?’ Ze sloot even haar ogen en overzag wat haar antwoorden konden oproepen aan verzet. Ze ging voor de waarheid; ‘Nee, meneer……’ ’Vermeulen’, antwoordde hij. ‘Meneer Vermeulen, nee,’ aanvankelijk vond ik dat zeer onprettig. Hij kuchte en zei; ‘ Aanvankelijk?’

Het was stil terwijl ze elkaar aankeken. Hij tartte het door te zeggen: ‘Dat verbaast me aangezien u bijzondere contacten onderhield met deze man, zoals ik uit betrouwbare bron heb gehoord. Hoe noemen we dat ook weer…………heulen met de vijand, overlopen……………..’. Had Julius gepraat, dacht ze, of de dokter, of misschien de postbode? Wat bedoelt hij met bijzondere contacten? Ze keek hem vragend aan.’Juffrouw van der Vaart,’ zei hij stijfjes, ’het blijft in een dorp als Vierhouten niet onopgemerkt als men inkwartiering krijgt,  het zal u toch hopelijk niet verbazen dat mensen extra op u zijn gaan letten’. Hij had zijn wenkbrauwen omhoog toen hij dat laatste zei. Het klonk cynisch.

In gedachten ging ze terug, naar dat moment in de keuken toen de pijn en verdriet haar overmanden, toen hij haar aanhoorde, haar nood zag. Ze gooide alles eruit, gewoon in het Nederlands en af en toe vroeg hij om de vertaling van een woord. Hoe ze haar droom had opgegeven om het onderwijs in te gaan, hoe groot haar angst was om haar moeder te verliezen nu ze haar vader al kwijt was. Het gemis van broers en zussen, het werk dat zich maar opstapelde………Hij stond daar met zijn armen over elkaar, knikkend. ‘Excuses,’ zei ze op het laatst,’ u hebt wel wat anders aan uw hoofd.’ ‘Waarmee kan ik u van dienst zijn, fraulein?’, vroeg hij beleefd. Ze fronste haar wenkbrauwen en schudde resoluut haar hoofd, ‘nergens mee, ik moet dit alleen doen. Maar dank u beleefd’.

Ze stormde de keuken uit, de trap op en ging op de rand van haar bed zitten.  Vóór alles moest ze voorkomen dat hij hier dingen ging doen. Julius wist dat ze Duitsers in huis had, de huisdokter, de postbode, maar wonen is wat anders dan helpen, zo besloot ze. Ik moet me vermannen, dacht ze, het hoofd fier omhoog. Ze haalde resoluut een kam door haar haren, trok haar jurk weer in de plooi alsof het haar zou helpen zich wat beter te voelen. Ze wachtte en hoopte dat hij naar zijn kamer was gegaan. Toen alles muisstil was ging ze zachtjes naar beneden. Tot haar verbazing zag ze dat de vaat gedaan was, ze zuchtte. Ze pakte de verstelmand en begon sokken te stoppen. Gaandeweg dommelde ze wat in, tot ze haar moeder klaaglijk hoorde roepen. Het was 10 uur, ze schrok ervan en spoedde zich naar de voorkamer. Het bed was kletsnat, dat had je er nou van. ‘Stil maar moeder, ik ga u op de po stoel zetten en uw bed verschonen’. Juist op dat moment verscheen hij en begon te helpen met tillen. ‘Wie bent u, vroeg haar moeder, wat komt u doen?’ ‘Bent een  dokter, een broeder?’Maar hij zei niets. Het gekrijs van haar moeder was niet van de lucht. ‘Weg’, riep ze ‘weg! Geen Duitsers hier’. Hij trok er zich niets van aan, haalde de lakens weg en gaf haar nieuwe aan. Zo deden ze zwijgend wat er gedaan moest worden. Toen verdween hij net zo snel als hij gekomen was.

‘Juffrouw van de Vaart’, zo sprak Vermeulen op bitse toon, ‘hoe kijkt u dan aan tegen deze omgang met de vijand, door wie wij onderdrukt werden?’ Zijn gezicht werd roder en roder toen hij dit zei. Ze aarzelde wat kon ze zeggen, wat valt er te begrijpen voor iemand die niet gezien heeft hoezeer ze zich geholpen voelde.  Het bleef lange tijd stil. ‘Ik kan u vertellen  hoe het is gegaan,  als u daar prijs op stelt’. ‘Of ik daar prijs op stel, brieste Vermeulen, ik sta erop!’ ‘Goed’, antwoordde ze en ze begon te vertellen wat er gebeurde toen ze niet meer wist hoe ze verder moest.

Vanaf dat moment, die avond toen hij haar hielp, verscheen hij vaker. Ze had haar moeder uitgelegd van de inkwartiering, dat hij haar hielp en dat ze die hulp aanvaardde, omdat het zwaar was. ‘Oh Heere’, had haar moeder geroepen, ‘vergeef ons Heere dat we ons laten helpen door de vijand, wees ons genadig Heere’. Op en avond begon hij te vertellen over zijn heimat, Dresden en over zijn Mutti. Ze luisterde wat gegeneerd naar de lieflijke woorden die hij uitsprak over de band met zijn moeder. Hij vertelde over zijn jeugd, zijn broers en zuster. Over zijn vader zei hij niets. Toen ze hem ernaar vroeg hief hij zijn hand afwerend op. Ze begreep het teken. De volgende ochtend was ze al vroeg op, omdat ze haar moeder had horen roepen. Toen ze in de voorkamer verscheen lag haar moeder echter lekker te slapen. Ze begreep er niets van, ze had haar toch duidelijk horen roepen. De klok gaf echter aan dat er alweer een halfuur was verstreken. Was ze dan weer in slaap gevallen? Ze richtte zich op haar moeder en zag ineens het halve kopje thee staan. Ze begreep wie dat gemaakt moest hebben. Ergens moet ik dit keren dacht ze vertwijfeld en eigenlijk wil ik dat helemaal niet. Ze besloot om vroeg in de moestuin te gaan werken, aangezien het een warme dag beloofde te worden. Ze bond een boeren zakdoek om haar haren heen en ze deed ook een schort voor. Buiten gekomen zag ze hem zitten aan de rand van de akker. Er lag dauw over het veld, zoals je vaak ziet als de dag langzaam aan het opwarmen is. Hij was zichtbaar dat hij treurig was; zijn hele houding verraadde zijn verdriet, zijn hoofd voorover gebogen, zijn handen voor zijn gezicht. Het raakte haar. Toen hij haar aan zag komen, vermande hij zich. Zijn houding veranderde opslag. Hij stond resoluut op, knikte stijfjes naar haar en liep haar vormelijk voorbij. Ze durfde hem niets te vragen en besloot aan het werk te gaan. Onder het wieden dacht ze na over de vreemde situatie die ontstaan was. Een Duitser in huis, van wie ze niets wist, die haar hielp op bepaalde momenten. Wat zou de buitenwereld wel niet denken?
Toen ze laatst in het dorp fietste ervoer ze dat velen haar mijden, dat er blikken naar haar werden geworpen. De bakker die altijd een praatje maakte en naar de gezondheid van haar moeder vroeg, was opmerkelijk kortaf.  De hulp die de dokter haar beloofd had kwam  nu zo af en toe, maar ze vermeed elk contact met haar, alsof ze besmet was.  Ze kon zijn hulp gewoon goed gebruiken. Was dat verkeerd? Ze kwam er niet uit.

Zo ging het leven voort. De dagen regen zich aaneen, er was altijd wat te doen; de was, de verzorging van moeder, het eten bij elkaar sprokkelen en koken, de verstelmand die haar aangaapte, de kachel aanmaken en vooral aanhouden, de vaat doen, boodschappen halen, medicijnen halen soms.

Het gebeurde vaker dat ze, na het verzorgen van haar moeder, even napraatten in de keuken.  Ze raakte eraan gewend dat hij meehielp en ze zag steeds meer dat haar moeder kon ontspannen als hij erbij was. Ze warmde melk op en smeerde een stuk roggebrood. Het begon vertrouwd te worden, zeer tot haar schrik. Hij vertelde van zijn jeugd en vroeg haar waarom ze haar dagen op de boerderij doorbracht: ‘Een aardige jongedame verdient meer’, had hij gezegd. Ze reageerde verontwaardigd; ‘Alsof het werk hier minderwaardig is’, zei ze, ‘dat is het geenszins en hoe zou het moeten met mijn moeder, wie zorgt er voor haar’? Soms hadden ze schik over iets wat haar moeder gezegd had. Dat gebeurde vaak als moeder het Duits niet begrepen had en een totaal verkeerd antwoord gaf. Ze hoorde haar lach nu zeer geregeld en dat was bijzonder gezien haar toestand en zeker na de dood van haar vader. Ze ontspande en vaak zag ze uit naar die momenten in de warme keuken. Hij zorgde nu steeds vaker voor het vuur, hielp mee met de vaat en ruimde als vanzelfsprekend de tafel af als ze gegeten hadden. Het werd minder eenzaam voor haar en ze begon hem dingen te vertellen over haar jeugd en de band die ze had met haar vader. Het woordje vader gaf steeds een kleine verandering in zijn houding, merkte ze. Hij kreeg iets hards in zijn kaken, zijn schouders verstrakten dan. Ze deed alsof ze het niet zag. ‘Leven met mijn vader was een hel’, zei hij zomaar ineens op een moment toen ze warme melk met een beetje honing zaten te drinken. Ze verslikte zich bijna, omdat ze niet verwacht had dat hij er ooit iets over zou zeggen. Ze hakkelde wat, niet wetend wat wijs was om te zeggen. Maar hij ging door: ‘De zweep was het middel om ons jongens in het gareel te houden, snoeihard kon hij ermee slaan, tot bloedens toe’. Plotseling stond hij op, schoof ruw de stoel onder de tafel en verdween naar de slaapkamer. De deur ging iets te hard dicht.

In de herfst kondigde hij aan dat hij naar zijn Heimat ging voor tenminste een week. Hij merkte aan haar dat ze schrok, maar ze vermande zich snel. ’Ik kom terug’, zei hij. Ze durfde hem niet aan te kijken en vermeed zijn blik. Dat was de week waarin ze ontdekte dat ze hem graag mocht en dat verontrustte haar zeer. Vertwijfeld vroeg ze zich af of dat een zonde was, een Duitser mogen. Hij is toch een mens, maar wat weet ik van hem? Wat voor werk verricht hij hier? Dat moet ik hem vragen, bedacht ze.

Op en avond begon haar moeder erover: ‘Kind, zei ze, dat ik nou toch geholpen wordt door een Duitser’. Ze zuchtte. ‘En het ergste is’, vervolgde ze, ‘ik ga eraan wennen en het prettig vinden. Hij is zorgzaam en hij vertelt me hele verhalen over zijn mutti. Niet dat ik het allemaal versta hoor’, zei ze glimlachend, ‘maar ik voel het verlangen van hem om haar weer te zien. Ze is heel belangrijk voor hem.’

‘Juffrouw Van der Vaart’ zei Vermeulen op tamelijk barse toon, ‘wat weet u van het werk van deze officier?’ ‘Niets’ antwoordde ze hem naar waarheid. ‘Ik heb hem ernaar gevraagd, maar dan werd hij boos. Op die momenten was ik bang voor hem. Ik heb het meerdere malen geprobeerd.’ Met een ruk schoof Vermeulen een la open in het bureau. Het getik van de typemachine stopte ogenblikkelijk. De typiste keek recht voor zich uit.

Hij pakte er een bruine grote enveloppe uit en begon de inhoud op het bureau te deponeren. Er rolden vele foto’s uit, grote en kleine opnamen. Ze boog zich wat naar voren en toen ze zag wat de foto’s voorstelden, stond haar hart stil. Ze sloeg haar hand voor de mond en sloot haar ogen. ‘Opendoen’, gebood Vermeulen. ‘Dit is het werk van deze man’, zei hij. ‘Dit gebeurde  als hij de boerderij verliet’. Op de foto zag ze gedaanten die bungelden aan touwen, met geknakte hoofden. Ze zag hem staan met de zweep opgeheven. Ze zag hem met een lachend gezicht erbij staan. Ze gruwde, kokhalsde gewoon. ‘Deze man is betrokken bij alle executies die uitgevoerd werden in kamp Amersfoort’, hoorde ze Vermeulen uit de verte zeggen.

Kamp Amersfoort gonsde er in haar hoofd, er flitsten gedachten door haar heen: ‘Ik werk in Amersfoort, Sabine’, zei hij eens, ‘Wat doe je daar precies? ‘, vroeg ze. Hij snauwde dat het haar niets aanging. Andere gedachten drongen zich op: samen moeder verzorgend, zijn aandacht, zijn invoelingsvermogen. Was dit dezelfde man? Kon dit waar zijn? Ja, ze wist wat ze zag, ze kon er niet omheen.

Vermeulen ging onverdroten door met het opsommen van feiten over de gruweldaden van de officier. Op een gegeven moment knapte er iets in haar, ze begon erbarmelijk te huilen, met gierende uithalen. Hij bracht haar water. Het eerste wat ze kreeg na 3 uur ondervraging. Ze kon haast niet stoppen met huilen, de tranen biggelden over haar wangen en drupten op de tafel. De stem in haar hoofd dreunde door met het woordje schuld, jouw schuld, jij bent schuldig, Sabine. Ze greep naar haar oren om het geluid te stoppen.

Ergens in de herfst gebeurde er iets waarbij haar de schrik om het hart sloeg. Op een avond laat, toen ze gelukkig alleen in de keuken was, zag ze voor het raam een gestalte. Het was Gijs van Vliet, een vriend van de Mulo. Net als zij was hij 24 jaar en ze had al tijden niets meer van hem vernomen. Maar ja, de Arbeidseinsats had veel van deze jongens gedwongen te gaan werken in Duitsland, dus ze veronderstelde dat hij daar wel zou zijn. Toen ze de deur voor hem opendeed, viel hij als het ware naar binnen. Hij zag lijkbleek. Ze schrok van zijn verwilderde blik. ‘Help me, Sabine, asjeblieft’, smeekte hij. ‘Wat is er gebeurd?’ , vroeg ze. ‘Ik ben ontsnapt uit Duitsland, ik was te werk gesteld in Bremen, in een munitiefabriek, het was er verschrikkelijk. Ik heb drie dagen gelopen en ben een keer meegelift met Nederlandse soldaten, zonder iets noemenswaardigs te eten’. Terwijl hij sprak had ze hem bij de arm genomen richting de deel waar een kleine hooi- en strovoorraad stond opgestapeld. ‘Niet schrikken, Gijs, maar je bevindt je in het hol van de leeuw, want we hebben inkwartiering’. Zijn ogen werden groot en hij zakte in elkaar op één van de strobalen. ‘Luister’, zei ze kordaat, ‘ik ga je natuurlijk helpen’. Ze duwde hem achter de balen en stapelde er een aantal voor hem neer. Zijn chauffeur is er de laatste tijd niet meer, hij sliep hier op de deel. Nu komt hij hem alleen nog ophalen. Hou je zo koest mogelijk. Ik breng dekens en eten. Als je opgeknapt bent, ga ik ander onderdak voor je zoeken. Nu moet je eerst slapen en eten’. Hij liet zich neervlijen op een oude deken die ze op de grond had gelegd. Ze snelde naar de keuken om warme melk te halen, wat brood en een appel. Hij at niet, maar hij vrat en onderwijl zakten zijn ogen weg. Zo moe was hij.

‘Gijs, luister goed, je mag onder geen beding voor 9 uur ’s ochtends in de keuken komen. Pas na 12 uur mag je je richting keuken begeven. ’s Nachts kun je een luchtje gaan scheppen in de moestuin’. Maar deze woorden hoorde hij niet meer, hij sliep al. Ze dekte hem toe en zette de strobalen ervoor, zodat niemand hem kon zien liggen, hopend dat hij eindeloos lang zou slapen en in ieder geval zolang als de Duitser in het huis was.

De volgende avond kwam er een blos op haar wangen toen de officier in de keuken verscheen. Hij keek haar opmerkzaam aan en ze keerde hem vlot de rug toe voorwendend dat ze water voor de thee ging koken, die in werkelijkheid al klaar stond. Ze schrok zich lam al hield Gijs zich strikt aan wat ze hem had opgedragen. Ze praatten wat over de naderende winter, de kou en de kolen die zo moeizaam te krijgen waren. Hij beloofde ervoor te zorgen. ‘Danke Herr Oberstormfuhrer’, hoorde ze zichzelf zeggen. Hij lachte en zei: Waarom noem je mij geen Günther, Sabine’. Ze keek hem met grote ogen aan, wilde eigenlijk zeggen ‘Nee, dat gaat me te ver’, maar ze bedacht in een oogwenk dat hem dat zou kunnen krenken. ‘Dat is goed, Günther’, zei ze,’ dat zal ik doen’.

De dagen erna voelde ze zich beroerd, misselijk soms, schuldig ook. Dit kon gewoon niet, maar hoe kon ze het tij keren. Ze besefte dat ze in de fuik in was gezwommen en dat keren onmogelijk was. Het maakte haar wanhopig. Toen ze in het dorp fietste meende ze dat de mensen het wisten, wat natuurlijk niet kon. Het leek alsof op iedere hoek iemand fluisterde: ‘Sabine, landverraadster, noem je hem bij zijn naam?’

Ze zocht dr. Vriesema op om met hem te overleggen wat ze met Gijs aanmoest. Ze vertrouwde hem en dat vertrouwen beschaamde hij ook niet. ‘Laat me denken Sabine, welk onderduikadres ik kan bedenken’. Het bleef even stil. Vriesema streek nadenkend over zijn stoppelige baard.’Hmmm’, zei hij, ‘ik denk dat ik iets kan proberen, maar ga je niet zeggen wat. Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn. Je hoort eerdaags van mij’.

Opgelucht vertrok ze. Ze merkte wel dat ze behoorlijk op haar tenen liep met een Duitse officier in huis en het verbergen van Gijs. Ze werd schrikachtig als Günther er was en moest zorgvuldig haar momenten kiezen om Gijs eten te brengen. Maar ze kreeg het idee dat hij er geen notie van had. De sfeer was prettig, open en zijn behulpzaamheid was van onschatbare waarde. Het was verbazingwekkend hoe goed het met haar moeder ging. Ze fleurde op, ja dat was het. En zijzelf………er ontsnapte haar een zucht. Ik voel me veilig, dacht ze, minder opgejaagd, ik hoor mezelf soms zelfs fluiten.

 ‘Juffrouw Van der Vaart, zo sprak Wieringa’, u hebt nooit enig idee gehad wat deze man uitspookte nadat hij de boerderij verliet?’’  Ze schudde haar hoofd, probeerde haar tranen te drogen met een haast doorweekte zakdoek. ‘Nooit’, zei ze zacht. Ik vroeg het me natuurlijk wel af, maar als ik erop zinspeelde  werd hij zó boos, dat ik mijn mond hield. Ik heb het er ook met mijn moeder over gehad. Zij heeft me met klem gevraagd er nooit over te beginnen.  Zij heeft er eens iets over gezegd of gevraagd  en toen schrok ze van zijn ogen. ‘We hebben het goed Sabine, zei ze, we hebben eten, bescherming, verzorging. Laat het zo blijven asjeblieft’.

De tranen begonnen weer te stromen, onophoudelijk en haar schouders schokten.‘Juffrouw van der Vaart, we hebben verhalen gehoord dat er een verandering opgetreden is bij deze commandant, na half februari. Dat wil zeggen dat zijn brute meedogenloosheid toenam. Hebt u enig idee waarom dat was?’ Ze hief haar hoofd op, drukte de zakdoek tegen haar ogen en zei:’ Ja, ik denk dat het te maken had met de dood van zijn moeder. Zij woonde in Dresden en is bij het bombardement omgekomen. Toen hij terugkwam was hij gebroken. Hij heeft een halve avond gehuild aan het bed van mijn moeder. Zijn moeder was zijn alles, want ik heb begrepen dat zijn vader een bruut was, met wie hij een slechte, zo niet onmogelijke relatie had. De zweep…’hier wachtte ze even, ‘was uh hem bekend…dat klinkt in dit verband natuurlijk heel vreemd’.

Het was lange tijd stil. Sabine snufte nog wat na. Vriesema zat licht gebogen voor zich uit te staren. Hij speelde met zijn pen en had zijn hoofd licht afgewend. ’Dat deze schoft een hart heeft verbaast me zeer. Ik zal u de rapporten besparen juffrouw Van der Vaart. U zult het mogelijk niet kunnen bevatten, het is te erg voor woorden’. Het schaamrood sloeg haar naar de kaken. Was ze zo naïef geweest, was ze haar verstand verloren?
‘Wanneer heb u hem voor het laatst gezien?’ zei Wieringa plotseling.

Twee avonden later kwam ineens dokter Vermeulen aan de deur. Hij gaf een knik richting de slaapkamer waar Günther sliep. ‘Nee’, zei ze, ‘hij is er niet’. ‘Morgenvroeg rond de klok van 4 uur moet Gijs klaarstaan aan de rand van de moestuin. Als er iemand komt die uitvoerig zijn neus snuit, dan is het veilig. Hij heeft verderop een fiets liggen zodat ze samen kunnen fietsen.’

‘Ik zal zorgen dat hij klaar staat’, zei ze, daarna schudde ze zijn hand. ‘Bedankt, dokter, erg bedankt’. ‘Al goed, antwoordde de dokter, ik bid dat het gaat lukken hem veilig onder te brengen’. ‘Waar ik me wel bezorgd om maak, Sabine, is of je er goed aandoet om zo met een Duitser om te gaan’. Hij keek haar strak aan en ze voelde dat ze bloosde.’Hoe bedoelt u dat, dokter?’  Hij zuchtte, streek met zijn hand over zijn kin en zei: ‘Julius vertelde me laatst dat jullie zaten te lachen in de keuken. Hij kon dat horen op de deel.’ ‘Is lachen soms verboden in de oorlog?’. Ze zei het net iets te scherp, merkte ze. ‘Nee, Sabine, maar wat weet je van hem? Wat zijn de taken die hij uitvoert? Je moet later geen spijt krijgen, meisje’.
Günther verscheen enkele dagen niet, maar opeens stond hij weer in de keuken.

Ze was naar de deel geweest en had hem niet horen aankomen. Ze schrok toen ze zijn stem hoorde. Hij was onrustig, geagiteerd. Toen het tijd werd om moeder te verzorgen verdween hij naar zijn eigen kamer. Ze voelde zich teleurgesteld, want meestal volgde hij haar wel. Ze babbelde wat met haar moeder, vroeg of ze nog wat nodig had, toen hij ineens naast haar stond. Hij pakte de hand van haar moeder, trok een stoel bij de bedstee en keek haar aan. ‘Mutti’, zei hij zachtjes, ‘es ist vorbei, ich gehe nach Deutsland zuruck.’ Hij drukte een kus op haar voorhoofd. Ze zag tranen in haar moeders ogen. Waarom, vroegen haar ogen, maar ze zei niks. Hij liet haar abrupt los en liep de kamer uit. Het bleef doodstil tussen hun beiden. Haar moeder lag met gesloten ogen en Sabine wist niet wat ze moest zeggen.

Toen ze in de keuken kwam keek hij haar recht aan en zei:’ Sabine, je hebt mij vertrouwd, maar doe dat nooit weer’. En weg was hij, de slaapkamerdeur sloeg met een klap dicht. Ze bleef verbijsterd achter en dacht na over zijn woorden. Ik vertrouwde hem blindelings, heb ik daar geen goed aan gedaan? Had ik waakzamer moeten zijn? Wat heb ik over het hoofd gezien? Het was een warboel in haar hoofd. De volgende ochtend vond ze een verlaten slaapkamer. Hij had alles keurig achter gelaten. Ze ging op de rand van het bed zitten en dacht na over alles wat er gebeurd was. De tranen prikten in haar ogen.

‘Wij zijn al even bezig met de opsporing van deze man,’ zei Wieringa. ‘Het spoor zijn we echter bijster geraakt, maar uw informatie zullen we meenemen. Er is niet veel over van Dresden, maar dat hij daarvandaan kwam was ons al bekend.’

‘U kunt gaan juffrouw Van der Vaart, we zijn klaar met ons verhoor’. Ze keek verbouwereerd. ‘En nu,’ vroeg ze, ‘wat gaat er nu gebeuren?’. Hij leunde achterover, zijn blik dwaalde door de kamer. De typemachine stond opnieuw stil. ‘Mag ik u een vraag stellen?’, vroeg Wieringa. ‘U doet niet anders’, antwoordde ze spitsvondig. ‘Als u opnieuw voor de keuze stond om deze man te vertrouwen, deed u dat dan?’

Ze dacht na en liet een stroom van momenten de revue passeren: het tillen van moeder en het voorlezen aan haar moeder met zijn bril op het puntje van zijn neus, de grapjes die hij in het Duits maakte, de blik in haar moeders ogen als hij haar welterusten kuste op haar voorhoofd. En wat betreft haarzelf; zijn galante houding en de verhalen die hij over zijn jeugd vertelde en de fratsen die hij als kind had uitgehaald……………..hoe hij met de zware kom warm water door de gang liep om haar te ontzien.

 ‘Ja, zei ze overtuigd, ja ik zou het weer doen.’ Ze voelde dat ze warm werd en ging blozen. ‘U hoeft het niet te begrijpen’, zei ze snel, ‘maar ik heb een andere man gezien. Ik weet niet hoe dat kan, ik zie nu wat er ook was. Dat grijpt me verschrikkelijk aan, maar hij heeft gezorgd dat we te eten hadden, dat moeder het heeft gehaald, dat ik………..minder eenzaam was, me ondersteund voelde, beschermd’. Het was even helemaal stil. Beiden waren verzonken in gedachten.

Hij knikte en stond op. Zelf ging ze ook staan, greep zich vast aan de leuning, want het was uren geleden dat ze gegeten had. Toen ze zich had hersteld begeleidde hij haar naar de deur. ‘We zullen u thuis brengen’, zei hij. ‘Doet u alstublieft geen moeite’, zei ze, ‘ik loop graag terug’. ‘Maar dat is een heel eind’, ,zei hij. ‘Ik heb die tijd nodig, om na te denken, antwoordde ze en vertrok.

Buiten gekomen viel het zonlicht haar rauw op haar dak. Ze kneep haar ogen stijf dicht. Toen ze wat gewend was, begon ze te lopen. De weg door het bos was heerlijk rustig. Slechts het fluiten van de vogels begeleidde haar in haar gedachten. In de cadans van het lopen kwam de rust terug, maar ook de diepe waarheid van de andere man die ze niet kende en ze ook nooit wilde leren kennen. De vraag naar het waarom drong zich op.

Thuis gekomen voelde ze een verpletterende moeheid over zich heenkomen; alsof ze door de mangel was gehaald. De verpleegster zat naast het bed van haar moeder te breien. Ze stond op toen ze Sabine zag binnenkomen en kondigde aan dat ze ging. Sabine was te moe om te antwoorden en knikte alleen maar.

‘Hoe ging het, Sabine?’, vroeg haar moeder. ‘Ik ben te moe om te praten moeder, vergeef me, maar het was zwaar.’ ’Vertel je het me later?’, vroeg haar moeder toen’. Ze aarzelde: ’ik weet het niet moeder, misschien is het goed om de herinnering te houden zoals u hem heeft’. Daarna verdween ze richting de keuken. Onder het kopje thee drinkend wist ze het zeker; ze liet het zo voor haar moeder. Zelf moest ze het een plek geven, dat was haar weg nu ze wist wat er zich had afgespeeld in zijn leven. Ze praatte er niet over, ze hield haar lippen op elkaar op de momenten dat moeder erover begon.

Het leven ging door. De verpleegster kwam nu elke dag twee keer en dat was een verademing. Het begon kalmer te worden in haar hoofd. Ze had besloten nu zelf beneden te gaan slapen en had Julius gevraagd haar te helpen met het opnieuw behangen van de slaapkamer, zodat het er weer fris uitzag. Het was ’s nachts ook gemakkelijker met moeder als ze beneden sliep. Soms kwam zijn beeltenis ineens haar gedachten in, dan schrok ze. Maar als ze dan dacht aan zijn zorgzaamheid, zijn humor, zijn zachte ogen, ebde dat akelige gevoel weg. In het dorp  maakte de bakker weer voorzichtig een praatje, zij het met gebogen hoofd, hij vermeed haar aan te kijken.

Het was een paar weken later op een dinsdag toen opnieuw de klopper ging. Wieringa stond voor de deur en vroeg beleefd of hij binnen mocht komen. Ze zwaaide de deur open en merkte dat haar hart ging bonzen. Waar kwam hij voor? Nieuwe vragen misschien, verwijten, maatregelen. Ze liet hem meelopen naar de keuken.

‘Weissenbach is dood’, zei hij onomwonden, een stoel pakkend. Haar ogen werden groot, haar handen klam en ze hoopte dat moeder er niets van gehoord had. ‘We hebben hem aangetroffen op het graf van zijn moeder, zei hij en wachtte daarna even, voor hij haar aankeek en zei: ’Hij heeft zich door het hoofd geschoten’. Het werd doodstil in de keuken, ze hoorde alleen het tikken van haar hart. Haar keel was gortdroog. Toen ze iets wilde zeggen kraste haar stem en moest ze haar keel schrapen, maar er kwam niets.

Wieringa schoof wat ongemakkelijk heen en weer. ‘Wij zijn blij, maar gezien uw….relatie met hem, besef ik dat het een schok zal zijn’. Ze knikte en zweeg, niet wetend wat ze erover moest zeggen. De stilte die viel gaf haar de gelegenheid zich wat van de schok te herstellen.
‘We hebben iets gevonden wat ik u wil overhandigen’. Hij viste uit zijn binnenzak een klein zwart aantekenboekje en gaf het haar. Ze legde het op tafel ten teken dat ze er nu niet in ging kijken. Hij begreep het teken. Hij knikte richting de woonkamer en vroeg hoe of het met haar moeder ging. Ze trok een zuinig mondje. ‘Het gaat wel’, zei ze, ‘maar het houdt niet over’. Hij stond op en voor ze het wist had hij zijn hoed gelicht en was hij vertrokken.
Teruggekomen in de keuken pakte ze het kleine document op en begon erin te bladeren:

16 april; ik voel me thuis, godzijdank,
3 mei; wat een verademing deze atmosfeer,
5 juni; van de hemel naar de hel en weer terug,
19 juli; ik wou dat dit altijd kon blijven,
2 september; de werkelijkheid is te zwaar,
Daarna kwamen een heel aantal lege pagina’s en hij begon weer te schrijven op:
18 oktober; ik vermoed dat Sabine iemand verbergt op de deel,
27 november; ik hou dit leven niet vol,
14 december; wat is de zin van mijn bestaan?
2 januari; het einde van de oorlog nadert, ik voel het.
Daarna niets, tot de datum van 14 maart: hen loslaten, mijn hart voelt zwaar.

Ze zonk neer op een stoel. Morgen word ik wakker, dacht ze en is dit alles niet gebeurd. Ze zuchtte, om vervolgens de gedachte toe te laten dat het wel was gebeurd en dat het met haar mee zou gaan. Ze borg het boekje op in de secretaire. Voor haar was het een document dat ze niet weg wilde doen. Een stukje geschiedenis van een episode die haar bij zou bijblijven. Die haar gevormd had.

Ze stond op om naar de moestuin te gaan. Een plek om haar gedachten te ordenen. Het begon al donker te worden. Ze zocht de maan en vond hem helder aan de hemel staan. Alles was hetzelfde en toch was niets meer zoals het ooit was geweest.

Bron:

www.harttothart.nl


Geplaatst door Isabelle Hofstra

Isabelle Hofstra

In 1992 kreeg ik van iemand het boek : ‘Luisteren naar kinderen ‘van Thomas Gordon. Ik was direct gefascineerd door de praktische benadering die hij heeft naar communicatie en omgang met kinderen.

Balans in de relatie ontstaat door de grondtoon van deze methodiek: ik ben belangrijk, jij bent belangrijk...


Bekijk alle artikelen en de volledige beschrijving van Isabelle Hofstra



Laatste artikelen in deze categorie


Lees alle artikelen in deze categorie


Dit artikel delen





Print artikelArtikel als PDF

Tip iemand over dit artikel:


Quote

Je kunt niet spelen met het dier in je zonder het dier helemaal te worden, met de leugen niet spelen zonder het recht op de waarheid te verliezen, met de wreedheid niet spelen zonder de zachtheid van je gemoed kwijt te raken. Wie zijn tuin schoon wil houden reserveert geen grond voor onkruid.

Dag Hammarskjöld











Bij de verkeerde Earth Matters belandt? Klik op onderstaand logo om naar Earth Events te gaan.