Hoe de NAM de macht kreeg over het Nederlandse aardgas

gasfornuis

Klik op de foto voor een
vermelding van de copyrights

Taal:Taal
Views:1655
Ingevoerd:
Geplaatst door:
Bron:co2ntramine

Gekoppelde categorieen
Bedrijven, Economie, Energie

(Co2ntramine | Herman Damveld) Met de ontdekking in 1959 van het aardgas onder Groningen was de Shell niet erg gelukkig: “Blijf uit het gas, daar valt niets te verdienen,” was de opvatting. Verwarming van huizen en gebouwen met gas beschouwde Shell al helemaal als een onhaalbare kaart. Toch kreeg de Shell samen met Esso in 1963 de vergunning om het gas te winnen. Dat ging via hun in 1947 opgerichte dochteronderneming, de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM). De oliemaatschappijen wilden bovendien dat het voor de buitenwacht niet duidelijk werd dat de overheid zou profiteren van de gasinkomsten. Zo ontstond de ingewikkelde constructie die ook wel het gasgebouw heet en waar duizenden Groningers in vastlopen en verdwalen.

De VVD en de voorlopers van het CDA (KVP, ARP en CHU) waren het hiermee eens. Binnen de PvdA gingen stemmen op om de gaswinning te nationaliseren. Joop den Uyl als belangrijke voorman van de PvdA zei hierover: “Nationalisatie zou mijns inziens economische dwaasheid zijn.” Hij won het pleit. Daarmee was er een breed draagvlak in de regering en de Tweede Kamer om de NAM de macht over het Nederlandse aardgas te geven. Dat de NAM deze macht en invloed anno 2017 niet zomaar wil afstaan is logisch: de politiek heeft het immers zelf zo gewild.

Shell en Esso worden NAM
Het bedrijfsleven speelde voor de Tweede Wereldoorlog al een rol in de energiewinning. De Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM), een dochter van Koninklijke Shell Groep, kreeg namelijk in 1933 als enige het recht om te zoeken naar olie en gas in de provincies Groningen, Drenthe, Overijssel en Gelderland. Later werd dit recht ook voor andere landsdelen verleend voor een periode van twintig jaar.
Na de oorlog kwam ook Esso in beeld en zo kwam het op 19 september 1947 tot de oprichting van de NAM als een samenwerkingsverband tussen de Bataafsche Petroleum Maatschappij (nu Shell Nederland) en Esso (nu Exxon Mobil). Shell en Esso kregen elk 50 procent van de aandelen. De NAM moest in de eerste winningsjaren het gas verkopen aan de staat. In 1957 kwam het tot de oprichting van het Staatsgasbedrijf.
In 1959 werd enig inzicht in de aanwezigheid van het Groninger gasvolume verkregen toen op zondag 2 augustus de productiedienst van de NAM begon met testen. Al snel bleek dat het om een grote hoeveelheid gas ging: in 1962 ging het naar verwachting om 300 miljard kubieke meter en uiteindelijk bleek er 2800 miljard kuub gas in het Groningen-veld te zitten.

Mijnwet 1810: staat eigenaar
In 1959 was nog steeds de Mijnwet – ‘Loi concernant les Mines, les Minières et les Carrières’ – van kracht. Die was in 1810 tijdens de Franse bezetting uitgevaardigd door keizer Napoleon. In deze wet werd bepaald dat landeigenaren geen recht hadden op de delfstoffen die in hun grond werden aangetroffen. De Nederlandse staat was volgens de Mijnwet de eigenaar van het aardgas en mocht concessies en winningsrechten verlenen.
Shell was niet erg gelukkig met de ontdekking van het gas, liever had men olie aangetroffen, net als in Schoonebeek. “Blijf uit het gas, daar valt niets te verdienen. De staat beschouwt het als een openbare nutsvoorziening,” was de opvatting op de Shell-burelen. Oliewinning was immers de hoofdactiviteit en daar werd flink aan verdiend. Dat gas als bijproduct werd gezien bleek ook uit de lage prijs. Het Staatsgasbedrijf betaalde eind jaren vijftig slechts 2 tot 4 cent per kubieke meter gas.
Verwarming van huizen en gebouwen met gas beschouwde Shell als een onhaalbare kaart. Gas zou verkocht moeten worden aan de industrie en elektriciteitsbedrijven. Esso daarentegen wilde vooral gas leveren voor de verwarming van huizen en gebouwen. Pas daarna kwamen industrie, centrales en tuinbouw. Immers, al voor de vondst van het Groningen-veld werd ongeveer een kwart van de Nederlandse gasverbruikers van aardgas voorzien, het zogeheten stadsgas. Een aantal grote steden, zoals Leeuwarden, was al helemaal op gas overgeschakeld. Esso had uitgerekend dat de ombouw van stadsgas naar aardgas snel uit zou kunnen. In 1960 schreef de NAM aan de regering bereid te zijn een bepaalde hoeveelheid aardgas voor Nederlands gebruik te leveren, maar winning en verkoop aan industrie en elektriciteitscentrales in eigen hand te willen houden.

Verhullende machtsverhoudingen
In de jaren vijftig vond de PvdA dat mijnbouw een overheidstaak was. Het bedrijfsleven moest daarbuiten blijven. Deze visie van de PvdA was een weerspiegeling van de mening van grote groepen van de bevolking, dat de opbrengsten van de gaswinning ten goede moesten komen aan iedereen. De oliemaatschappijen daarentegen wezen rechtstreekse deelneming van de staat bij de aardgaswinning en de export van het gas met klem af. Dat had alles te maken met de situatie in het Midden-Oosten. In 1960 was in de Iraakse hoofdstad Bagdad de organisatie van olie-exporterende landen OPEC opgericht, als reactie op de scherpe daling van de olieprijzen sinds 1957. De regeringen van de OPEC-landen probeerden ten koste van de oliemaatschappijen een groter aandeel in de winst te krijgen. Dit zogeheten sjeikeffect had een grote invloed op de regeling in Nederland. De oliemaatschappijen suggereerden wel akkoord te kunnen gaan met een indirect staatsbelang van ruim een derde deel, maar dan moest dat tegenover het buitenland verhuld worden. Zo wilden ze voorkomen dat men elders een voorbeeld zou kunnen nemen aan Nederland en zou pleiten voor rechtstreekse staatsdeelneming.
In het geheime rapport dat de Commissie-Van der Grinten in december 1961 aan de regering stuurde, werd voorgesteld de concessie formeel aan de NAM te verlenen. De NAM zou die concessie inbrengen in een maatschap waarin de Staatsmijnen voor 40 procent en Shell en Esso elk voor 30 procent deelnamen. Als de royalty’s van 10 procent, die al eerder waren bedongen, gehandhaafd bleven, was de staat verzekerd van een winstaandeel van 50 procent. De verkoop aan het buitenland zou via NAM Gasexport gaan, een constructie die door de juridische afdeling van Shell was bedacht. De daadwerkelijke levering zou gaan via een nog op te richten NV, die tot taak kreeg al het Nederlandse aardgas in te kopen, te transporteren en te verkopen. Dit werd de Gasunie. De partners in de Gasunie zouden dezelfde zijn als in de NAM, evenals de verdeling van de aandelen. De regering stemde in met de voorstellen van de Commissie-Van der Grinten. Op 11 juli 1962 stuurde de toenmalige minister van Economische Zaken, J.W. de Pous, namens de regering De Quay (KVP, VVD, ARP en CHU) hierover een nota aan de Tweede Kamer. In een Overeenkomst van Samenwerking staat onder meer: “De concessie voor winning van aardgas in de provincie Groningen wordt verleend aan de NAM, doch deze concessie wordt (…) geëxploiteerd voor rekening van de samenwerkende partijen Shell, Esso en Staatsmijnen, die terzake een maatschap zullen aangaan. Deze samenwerkende partijen bepalen dus gezamenlijk het beleid inzake de verdere exploratie en exploitatie binnen de concessie. Alle gewonnen aardgas – voor zover niet nodig binnen het eigen winningsbedrijf van de NAM – wordt verkocht aan de op te richten nieuwe gasmaatschappij, waarin Shell, Esso en Staatsmijnen participeren in de hieronder aan te geven verhouding.”

PvdA: geen nationalisatie aardgas
Binnen de PvdA verzette vooral het vooraanstaande fractielid Anne Vondeling zich. Hij wilde nationalisatie van de gaswinning. “Principieel,” zo betoogde hij, “behoort de winning van belangrijke bodemschatten te liggen in overheidshanden.” Zijn partijgenoot Joop den Uyl had dat ook ooit gezegd, maar hij was van mening veranderd, steunde de Commissie-Van der Grinten en kreeg de grote meerderheid van de PvdA-fractie mee. Dit had tot gevolg dat de Nota inzake het aardgas op 4 oktober 1962 door de Tweede Kamer werd aangenomen. Daarmee lagen de machtsverhoudingen vast. Op een voor de buitenwacht verhullende manier kreeg het bedrijfsleven een grote vinger in de pap. Deze ondoorzichtigheid is er nog steeds, hoewel de verschillende partijen het tegenwoordig graag hebben over transparantie.

Na het besluit van de Kamer werd op 6 april 1963 de oprichtingsakte van de NV Nederlandse Gasunie officieel ondertekend. Bij Koninklijk Besluit van 30 mei 1963 is de concessie aan de NAM verleend. Door deelname van Shell en Esso in de Gasunie kregen deze bedrijven toegang tot het gasdistributienet. Zo kon een snelle afzet van aardgas in Nederland worden gerealiseerd. Bovendien gingen al in mei 1963 delegaties naar West-Duitsland, Frankrijk en België om daar gas te verkopen.
Overigens: in 1967 is de Rijksdienst Staatsmijnen verzelfstandigd tot de naamloze vennootschap DSM (aanvankelijk nog genaamd N.V. Nederlandse Staatsmijnen). De staat behield alle aandelen van DSM. DSM heeft in 1973 haar aardgasbelangen ondergebracht in DSM Aardgas B.V.. Toen DSM in 1989 haar beursgang maakte heeft de staat alle aandelen in DSM Aardgas B.V. verworven en is de naam van de besloten vennootschap gewijzigd in Energie Beheer Nederland B.V. en uiteindelijk in EBN.

1970: meer gasexport vanwege kernenergie
In de jaren zestig was het idee dat kernenergie de toekomst had en zo goedkoop zou worden dat aardgas daarmee in waarde zou verminderen. De regering ging ervan uit dat in het jaar 2000 alle elektriciteit uit 35 Nederlandse kerncentrales zou komen. Aan het kabinet-Den Uyl hebben we de plannen voor kerncentrales aan onder meer de Eemshaven en voor opslag van radioactief afval in zoutkoepels te danken.
De Nederlandse aardgasvoorraden moesten vanwege de kernenergieplannen zo snel mogelijk opgemaakt worden door sterke toename van het gebruik zowel in binnen- als buitenland. In 1970 maakte de Kamercommissie voor Economische Zaken van de Tweede Kamer zich ongerust over de geringe omvang van de export: er moest meer afgezet worden naar het buitenland. Over aardbevingen had niemand het. Hoewel de eerste ernstige aardbeving uit 1986 dateerde, werd het verband tussen aardgaswinning en aardbevingen pas in 1993 erkend door de overheid.

Gebruikte literatuur: 
http://gasterradoet.gasterra.nl/gasterra-inspireert/de-wereld-van-aardgas, Deel 3: Onzichtbaar goud.
http://www.tpedigitaal.nl/archief2/1978-1, Staat, bodemschatten en energiepolitiek – een analyse van de strijd om de Mijnwet Continentaal Plat Jan de Jong en Arnold Koper TPE 1978, jaargang 2(1), pagina 7-53.
Nota van Minister van Economische Zaken, J.W. de Pous, Kamerstukken II, 1961/192, 6767, 11 juli 1962; https://www.vemw.nl/~/media/VEMW/Downloads/Public/Gas%20en%20WKK/Nota%20de%20pous%201962.ashx.
Uitspraak van de Rechtbank Noord/Nederland te Assen van 5 oktober 2016 (http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNNE:2016:4402

Bijlage
Enkele citaten uit de Overeenkomst van Samenwerking over de gaswinning
Bij akte van 27 maart 1963 hebben de Staat (Staatsmijnen), Bataafse Petroleum Maatschappij N.V. (B.P.M.), Standard Oil Company (New Jersey) en N.V. Nederlandse Aardolie Maatschappij (N.A.M.) een overeenkomst van samenwerking gesloten (hierna: OvS). De OvS is op 4 april 1963 goedgekeurd door de Minister van Economische Zaken.
De OvS bevat onder meer de volgende bepalingen:
Artikel 1. Doel en duur .
1. Staatsmijnen en N.A.M. gaan hierbij een maatschap aan met als doel, gezamenlijk het beleid te voeren inzake en het economisch belang te dragen bij de opsporing en ontginning door N.A.M. van de aardgasvoorkomens in de haar voor de provincie Groningen te verlenen concessie (…).
2. De maatschap treedt niet naar buiten op. (…)
Artikel 2. Inbreng
1. Staatsmijnen zal voor alle werken welke N.A.M. reeds binnen de provincie Groningen terzake van de opsporing en winning van aardgas tot en met 31 december 1962 tot stand heeft gebracht met de uitsluitend daarbij behorende zaken, en voor alle door N.A.M. tot genoemde datum ten behoeve van de opsporing en ontwikkeling van aardgasvoorkomens in Groningen gemaakte kosten aan N.A.M. vergoeden 40% van f 37.677.000,- (…)
Staatsmijnen zal bovendien voor de werken en daarbij behorende zaken door N.A.M. tot stand gebracht en voor alle door N.A.M. gemaakte kosten van 31 december 1962 tot aan de datum van ondertekening van deze overeenkomst aan N.A.M. betalen 40% van een tussen N.A.M. en Staatsmijnen nader overeen te komen bedrag, berekend op dezelfde grondslag als die, welke is gebruikt bij de bepaling van het bedrag van f 37.677.000,- hiervoor genoemd. Alle in dit lid bedoelde werken en zaken worden in de maatschap in eigendom ingebracht.
Artikel 3. Beheer .
1. Het Beheer van de maatschap wordt opgedragen aan een College van Beheer, bestaande uit twee door Staatsmijnen en twee door N.A.M. benoemde leden. (…)
Artikel 4. Regeringsvertegenwoordiger .
De door de Minister van Economische Zaken benoemde regeringsvertegenwoordiger bij de maatschap wordt uitgenodigd voor de vergaderingen van het College van Beheer en gekend in de besluiten van het College.
Artikel 5. Bedrijfsvoering door N.A.M.
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 6 wordt het bedrijf van de opsporing en ontginning van aardgasvoorkomens binnen de aan N.A.M. voor de provincie Groningen te verlenen concessie door N.A.M. gevoerd en wel te eigen name.
2. N.A.M. zal haar rechten uit de concessie voor Groningen, voor zover het betreft de aardgasvoorkomens binnen deze concessie, uitoefenen uitsluitend ten behoeve van de maatschap; (…)
Artikel 6. Beleid.
1. Behoudens voorzover zulks onverenigbaar ware met de verplichtingen van de concessionaris en van de bestuurder van de mijn op grond van de Mijnwetgeving, is N.A.M. gebonden aan de door het College van Beheer terzake van het Groningse aardgaswinningsbedrijf te nemen
besluiten.
2. Het College van Beheer stelt voor elk kalenderjaar vast het plan van exploratie en winning van het Groningse aardgas (…); het zal N.A.M. de gelegenheid bieden, terzake voorstellen te doen.
(…)
Artikel 7. Kosten en baten .
1. De uitgaven en opbrengsten van de maatschap worden tussen Staatsmijnen en N.A.M. gedeeld in de verhouding 40 : 60.
(…)
Artikel 19. Partijvervanging
1. Indien de rechtsvorm van het Staatsmijnbedrijf wordt gewijzigd in een naamloze vennootschap heeft Staatsmijnen het recht en de plicht zich als partij bij deze gehele overeenkomst te doen vervangen door bedoelde vennootschap, met dien verstande dat de Staat (Minister van Economische Zaken) de bevoegdheden aan hem toegekend in de artikelen 4, 9, 13, 21 en 23 als
partij bij deze overeenkomst blijft uitoefenen. (…)

Bron: Co2ntramine


Geplaatst door Herman Damveld

Herman Damveld

Leeft duurzaam; is zelfstandig onderzoeker en publicist over energie (o.a. bij LAKA). Daarnaast zit hij in de Raad van advies van Co2ntramine...


Bekijk alle artikelen en de volledige beschrijving van Herman Damveld



Laatste artikelen in deze categorie


Lees alle artikelen in deze categorie


Dit artikel delen





Print artikelArtikel als PDF

Tip iemand over dit artikel:


Quote

A happy life consists not in the absence, but in the mastery of hardships.

Helen Keller











Bij de verkeerde Earth Matters belandt? Klik op onderstaand logo om naar Earth Events te gaan.